De overheid - pagina 343
§ maar dat
spreken, zaleen
den
De
11.
hij
van dogmata
magistratu
qualiteit als
zijn
in
sprekend,
officieel
tamquam
Paus ex cathedra apostolorum
in
eene genade van
infallibilitas heeft, als
Deze onfeilbaarheid geldt dus
Heiligen Geest gegeven.
325
ministro Dei.
niet in
's
Pausen
particuliere brieven.
Ditzelfde vinden
we nu ook
Waar men
koning
die
alleen
een
sedens, niet
solio
in
koning handelend optreedt. koopt
de eene jager
is
niet
op de
zijn pleizier
Bouwt
hij
hij
als
jacht,
dan
een huis en
hij
aangelegenheden, waarbij zijne
dan staan die twee
is,
ze zijn beiden jagers, en
gelijk,
de onderdaan van den anderen jager.
komt daarom alleen aan den koning toe in solio evenals de infalaan den Paus ex cathedra. Daarom moeten we tusschen den persoon
libiliteit
en
hofvleierij
wezen persoon
zijne majesteit scherp
onderscheiden
niet
laffe
voortgekomen. er
verheffing van
al,
op
om
stonden
wel
te
God
te zijn,
En
als wij.
voor zijne zonden een verlossing
eene wreedheid een koning
in
verbinding staat,
altoos
zijn
dit
hun persoon
in
hun
als
arm
moesten de Reformatoren wel
purperen mantel gevoelen zou, dat
in Christus
te vleien,
in
is
gewaarschuwd en
doen verstaan, dat Overheidspersonen
met de overige burgers en
zondaar even ellendig stonden
dienaar van
wat met het hof
metterdaad
is
het camarillakwaad,
juist al
Onze Reformatoren hebben daarentegen
altijd
gelijk
onderscheiden en het
van deze twee, waaruit
doen, opdat ook de arme zondaar met hij
wanneer
majesteit
van den koning en het
dit alle particuliere
daar draagt
is,
figuurlijk, n.1.
Jaagt een ander persoon op een jachtveld, dat naast dat
majesteit niet geldt.
van den koning gelegen
De
maar
Gaat een koning voor
paarden, dan zijn
hij
met majesteit bekleed
letterlijk,
koning meer, maar een particulier jager.
geen
hij
is
de majestas der Overheid.
bij
heeft, die
men maakt
noodig het
Het
heeft.
hem daardoor
wat voor hooge personen toch reeds
is
dan ook
moeielijk een
niet
gemakkelijk
Aan den eenen kant werpt men zoo een o-^jai/JaAov, een hinderpaal op voor den weg van hemelsche zaligheid. Aan den anderen kant nekt men daarmee de majesteit, het gezag. Gaat men persoon en majesteit verwarren en is de koning een miserabele figuur, dan spreekt men over de koninklijke waardigheid alsof men over den persoon van den koning spreekt, die slecht is. is.
Evenals
dan
de
majestas, die
daarentegen
De zaak staat
critiek
over den
God op den koning leidt tot
des konings gaat, wordt ook de
als
Vat men
gesleurd. Vleierij
aan de eene zijde de persoon des konings
met den ellendigsten zondaar en aan de andere hij
slijk
eerbiediging van den mensch.
staat dus zoo, dat
gezag geëerbiedigd blijven doet
persoon
gelegd heeft, door het
als gezag, dat
zijde
gelijk
moet het koninklijk
den koning door God
is
opgelegd,
al
persoon ook nog zulke rare dingen. dit
zoo op, dan gevoelt men tevens, hoe
we nu den klemtoon
leggen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 470 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 470 Pagina's