De engelen Gods - pagina 49
GEEN PERSOONLIJKE VEiniOUDlNG TOT DE ENGELEN.
dagen werkt, maar
45
die vooral in hacheljike oogenblikken, als de natio-
soms machtig kan aangrijpen. mocht willen aanvallen, dat hij behalve met ons leger en met onze vestingen, ook met die nationale traditie zou te rekenen hebben. Het verleden staat dan zelfs in zekeren Het nobele en heilige treedt er in op den stralenkrans voor ons. voorgrond. Het menschelijk zwakke en zondig ontsierende lost zich En het resultaat is, dat de herinnering aan het verin schaduw op. leden, en het gemeenschapsoefenen door de traditie met een weggenale geest uit zijn sluimering opwaakt,
Nu
nog
Aveet elk vijand, die ons vaderland
storven voorgeslacht, geestdrift wekt, bezielt en
bekwaamt
tot kloeke
daden.
Hiermede nu
laat zich het best de invloed vergelijken, die
ook van
onze gemeenschapsoefening met de Engelenwereld op ons menschelijk leven kan uitgaan. verschijning.
We
In beide gevallen toch ontbreekt de persoonlijke
zien geen
Engelen en we zien geen mannen
uit het
Toch weten we van beiden, dat ze in het verleden majestueuze daden hebben verricht. Onze voorouders op voorgeslacht voor ons treden.
het slagveld, op den brandstapel en in de raadzaal tenten der patriarchen,
bij
Ook weten we van
Sanheribs leger en
bij
de Engelen in de
;
de kribbe van Beth-
met ons menschelijk leven in het heden in zeker verband staan. En eindelijk hebben we bij beiden te doen, niet zoozeer met bepaalde personen of Engelen, maar veeleer met een wereld der Engelen en met een icereld van het voorgeslacht, welke beide v/erelden in zekeren glans van reinheid en hoog bedoelen voor onze verbeelding staan. Wel is er verschil. Aanmerkelijk verschil zelfs. Immers van de helden uit het voorgeslacht kunnen we de beeltenissen voor ons leggen, en kunnen we de daden in bijzonderheden nagaan. Ook leven de geslachten der vaderen nog onder ons voort, behooren we er zelven toe, en ligt tot in ons eigen bloed de gemeenschap met het voorgeslacht vastgelegd. Bij de Engelen daarentegen hebben we te doen met een heel ander soort wezens. Ze zijn geen menschen, maar der Engelen natuur deelachtig. Ook is hun beeltenis en gestalte ons vreemd. Ze zijn niet als onzer één, maar heel anders. En alle gemeenschap bepaalt er zich. toe, dat ze als wij creaturen^ met ons dienstknechten des Allerhoogsten zijn, en dat God de Heere zich van hen bediend heeft, en nog bedient, om op onze raenscheuwereld ten goede in te werken. Maar ook al meten we dit verschil nog zoo breed uit, altoos blijft dit toch, dat ook de Engelen een eigen wereld vormen, dat deze eigen wereld met ons menschelijk leven in gemeenschap staat, en dat we ook van die Engelenwereld
leliem.
beiden, dat ze
'
den
indruk
wereld,
het
ten
ontvangen
waarin
we
eener
zelven
heiliger, reiner,
verkeeren.
Is het
hooger wereld dan de
nu onloochenbaar, dat
goede op ons werkt, zoodra wij uit de veelszins lage en in-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's