De engelen Gods - pagina 27
:
23
REENT ENGELENAANBIDDÏNG.
God
heb
»Tk
erkende:
gezien."
Het beroep op deze plauts
vervalt,
alzoo geheel,
Engel u
uw
voor
zegt de Heere tot Israël: »Zie, ik zende eenen
20
23:
Exod.
2\
om
aangezicht
u te behoeden op dezen weg, en
om
aange-
brengen tot de plaats die Ik bereid heb, hoed u voor wees zijner stem gehoorzaam, en verbitter hem niet; want zijn
te
zichte, en
te
(observare, eeren).
want mijn Naam is in »Hoed u voor zijn aanDeze vertaling
is
echter
verdedigen, want er staat in het Hebreeuwsch een voorzetsel
dat van beteekent (Hisschamer min) en dit voorzetsel geeft altoos
bij,
kennen,
te
vertalen de woorden:
hem
door: Eer
gezicht," niet
Hoomschen
De
hem."
niet vergeven,
overtredingen
ulieden
zal
hij
men op
dat
hoede moet
zipi
persoon tegen ons zou kunnen uitgaan.
kunrien
gezegd
21ste vers Ijewijst,
hij
onze
Godsdienstige vereering wordt
wat
uit,
niet
evenmin
hier
dat
ten opzichte van Mozes. Alleen het slot van het
zijn
spreekt
van
van een mensch geldt, maar dan ook een gewonen Engel sprake
is.
Een
geen zonde vergeven, en van een Engel kan niet gezegd,
Engel kan dat
hetgeen van den
allerminst geboden, en er staat niets, dat niet evenzoo zou
dus
hier
zijn tegen
Naam
den
een openbaring van den Zone Gods in de gedaante
als
z.
van een man. Ook
Vandaar dat
altoos verklaard hebben als een Christo-
Engel
dezen
vaderen
phanie, d. w.
des Heeren in zijn binnenste draagt.
werd hier een vereering geboden, waarvan
al
niets
staat, dan nog zou uit deze plaats niets hoegenaamd zijn af te leiden voor de vereering der Engelen. 8'\ Num. 22: 31 verhaalt ons hoe de »Engel des Heeren" aan
Hileam
en
verscheen,
Bileam
hoe
toen
hij
den Engel des Heeren
»het lioofcl lungde en zich boog op zijn aangezicht." Om nu hieruit eenige conclusie te trekken voor wat onze plicht jegens de Engelen zijn zou, ware eerst aan te toontMi, dat Avij Christenen den iets wat al te heiden Bileam ons ten voorbeeld hebben te stellen
ontwaarde
;
ongerijmd 4".
man
is.
Jozua
14
T):
zao- staan,
verwijst
bij
de Jordaan een
gekleed als een veldheer met het zwaard in
dien Jozna aanzag voor een Zijt gij
ons naar Jozua, die
gewoon
zijn
hand,
Immers hij vroeg hem Toen echter daarop deze man
officier.
van ons of van onze vijaiulen?
antwoordde: »Neen, maar ik ben de Vorst van het heir des Heeren," toen
viel
Jozua
op
zijn
aangezicht
ter aarde en
aanl)ad, en zeide
»Wat spreekt mijn Heere tot zijn knecht V" Ook hier, zoo zeggen de Roomsche godgeleerden, hebt ge alzoo duidelijk bewijs, dat Jozua den Engel vereerde met godsdienstige vereering. Hiertegen zij intusschen opgemerkt, dat 1". ook hier van geen Engel sprake is; 2'. dat Jozua eerst
alle
eerbetoon
man
zich
ontdekt
naliet;
had
als
3'. dat hij die hulde eerst gaf toen die »de Vorst van het heir des Heeren," en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's