De engelen Gods - pagina 74
SETHIETEN EN KAINIETEN.
70
genomen, en althans een tijdlang als medemensclien onder de menschen moeten verkeerd hebben. Immers er is geen sprake van een zonde voor één oogenblik, maar van een huwelijksleven met de »doehteren der menschen." Nu stemmen w^e toe, dat de aanneming van zulk een lichaam door een engel denkb'alar
menschelijk
wordt
Maar
komt.
sprake
onmachtig
volstrekt
om
is,
men
vergete
hierbij
zulk
zich
hem
schept en het
dat de engel zelt
niet,
lichaam
een
Een engel kan zulk een lichaam nooit aannemen,
hem
als
onder menschen verkeeren, een punt dat later afzonderlijk
menschen ter
Herhaaldelijk toch
is.
van engelenverschijningen bericht, waarin de engelen
ons
te verschaffen.
God het voor
tenzij
Hier daarentegen zouden deze kwaad-
geeft.
gezinde engelen zich zulk een lichaam zelf moeten geschapen hebben,
hun
teneinde
en
zondig
Zonder
ondenkbaar.
opzet
volvoeren,
te
God kouden
ontstentenis van zulk een lichaam
bij
dat verhaald wordt, onbestaanbaar.
niet
menging
En
Heilige
de
moet
zelfs
men
7 en Daniël 3
:
zij
feit,
toegevoegd,
ontkend, dat i?e«^^ /;a-£'/o/wm
d.
kinderen
i.
ook afgezien van het verband, engelen zou kunnen beduiden.
wel beroept
38
;
geheel het schuldig
is
waar nog aan
menschen maakte en alzoo ook dan nog geslachtsver-
tot
Gods, hier,
1
Iets
uitsluit.
ten derde
Want
dit is volstrekt
juist
menschelijk lichaam, als waarin de engelen verschenen, hen
een
dat
toch
en
ze zulk een lichaam niet bezitten,
Schrift
Psalm 29
zich op
om
25,
:
89
l;
:
7; Job
:
1
:
6; 2
:
de bewering staande te houden, dat
onder de kinderen Gods evengoed de engelen als maar nauwkeuriger raadpleging van deze plaatsen om op dit gevoelen in te gaan. In Psalm 29 1
de vromen verstaat, er
leidt
niet toe,
:
vertalen onze overzetters
en
eere
Heere
sterkte",
en
:
in
»Geeft den Heere,
Psalm 89:
7
^v\
kinderen der machtifjen^
»Wie
is
den
waar beide malen
in
het
zetten ze over:
gelijk onder de kinderen der sterken \'
Hebreeuwsch dezelfde uitdrukking voorkomt (Benee Elim). In Daniël 3 25 is een heiden, die zegt dat hij met de drie mannen een vierden in den brandenden oven ziet wandelen, en de gedaante van dezen vierde :
7 staat » kinderen Gods" als met »de morgensterren". »Toen de morgensterren vroolijk zongen en de kinderen Gods juichten". En eigenlijk is het alleen in Job 1
is
van een zoon der goden. In Job 38
als
:
gelijkluidend
en 11 dat op afdoende en overtuigende wijze van de engelen als »kinderen
Gods" gesproken wordt. Doch ander
geval
dan in Genesis
zelfs in
6.
Job
1
en 11
In Job namelijk
is
is
het een geheel
het uit heel
liet
verband en uit geheel den samenhang volkomen duidelijk, dat er niet van
menschen,
tafereel ons niet
maar van
engelen
sprake
is,
reeds
enkel
Avijl
het
op aarde, maar in den hemel geteekend wordt. Hier
daarentegen in Genesis G
is
omgekeerde het geval. Hier is hoegenaamd, dat den lezer ook maar
juist het
in heel het verband niets, niets
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's