De engelen Gods - pagina 26
GEEN ENC4ELEXAANB1DDING.
22
aarde was aan Engelcu-verscliijuiug zeer rijk. Jezus had veelover Engelen gesproken. En ook na zijn Hemelvaart zien we in de Handelingen der Apostelen meer dan eenmaal Engelen reddend of ver-
op
manend tnsschenbeide treden, en hooren we nogmaals veel over de Engelen spreken maar hoe ge het Nieuwe Testament ook naleest en ;
nogmaals
de
herleest,
van
zulk
19:
10 en 22: aan
vereerino-
en alle drie deze keeren
8),
maar
bevelen
te
eenen male. Slechts di'iemaal wordt
te
Engelen gesproken
van
vereering
een
de geringste aanbeveling of practijk
zwakste,
van Enofelenvereerincc ontbreekt
om
juist
is
2
(Col.
8,
:
om
het niet
Openb.
zulk een
ze af te keuren, en er zoo
De R-oomsche godgeleerden mogelijk tegen te waarschuwen. hebben deze moeielijkheid dan ook zeer goed gevoeld, en deswege gepoogd, uit het Oude Testament aan te vullen, wat in het Nieuwe niet gevonden werd, ja, zelfs tot in de Apooryfen zochten ze wat hun beslist
meening steunen kon. Met name beroepen
we dan elk Hier vinden we het
Richt. 13: 17. Bezien
en
V\ Gen. 32 In
Pniël.
26.
:
vers
24
staat
met Jacob,
worstelde"
theologen, ziet
men
en het vragen
om
vereerde.
verhaal van Jacobs worsteling
(lieii
man
zij
een bewijs dat
is
opgemerkt:
1".
hij
om
bij
man
»Ik zal u
zeide:
wi; sf/ye»^." Daar, zoo zeggen de
(/?)'
nu, hoe Jacob aan een Engel
zegen
Nu
Num.
dier plaatsen even van naderbij.
dat Jacob tot
en
(om nu Tobias 12: 12 22: 31,Jozua5:14
zich
de dageraad naderde, »een
toen
dat,
niet laten gaan, tenzij dat
wijze
zij
op Gen. 32: 26, Exod. 23: 20,
uit te laten)
Roomsche
zijn zegen vroiHj,
dezen Engel op hooge
dat hier van
Em/cl gansch
<>en
Er is sprake van cfn man. Yau den Engel is in dit Hosea 12: 2, 4 sprake. Ten 2'. dat Jacob dezen man geen vereering toebrengt, maar met hem wonteü,, en hem dirhujen geen sprake
verband
is.
alleen
om hem
wil
te
in
zegenen.
En
aangebeden (waar niets van minst
binden
zou,
ten
3".
dat ook al liad Jacob dezen
maar even afkeurenswaardig zou
voorbeeld van den apostel Johanues in Openb. 19 is
toch
ons
ten
al
te
regel
man
het voorl^eeld van Jacob ons aller-
staat),
:
10.
blijven, als het
De
redeneeriug
dat wat Jacob tegenover een Engel deed,
zonderling,
zou moeten
zijn,
deed, zou zijn af te keuren.
en dat hetgeen de apostel Johannes
En wat nu aangaat
het niet te looclieneu
dim man bij Pniël om den zegen vroeg, zoo merke men tAveeërlei op. Ten eerste, dat het vragen om een zegen in de Schrift zoo weinig ongewoon is, dat .Jacobs eigen geschiedenis genoegzaam toont, hoe Jacob zulk een zegen evenzeer van zijn vader Izaiik feit,
dat Jacob aan
verwachtte.
hoogeren die niet
En voor
zin
heeft,
zij
zoover in de
men
staande houdt, dat zegen hier een
tweede plaats opgemerkt, dat deze man,
met Jacob worstelde, zich zelf aan Jacob als« (tO(/ openbaarde en als een Engel. Er staat toch in vs. 28: »Gi] hebt u vorstelijk
gedragen
met
God,'"
en
in
vs.
30 lezen
Ave,
dat Jacob daarna zelf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's