Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 204
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
!
196
LA^OIA SABACHTAÏfl
„ELI, ELI,
!"
schrikkelijk bange klacht van het „Eli 8abachtani" door de saamgeklemde keel in de laatste stuipti-ekkingen zou worden uitgestooten.
En
nu ons, die na Golgotha leven, soms geschonken de litteekenen van het lijden des Heeren te dragen, zoo ook was het aan enkelen der uitverkorenen onder het Oud A^erbond roor Grolgotha geschonken, die litteekenen van het lijden des Heeren reeds vooruit te dragen. De Man van smarten is in de lijdende knechten van Jehovah vooruit afgebeeld. Maar terwijl nu een gansche reeks van geloovigen vooruit reeds die litteekenen van het kruis eenifiermate, in zwakke afstralinggekregen had, was er nu één man van Grod gesteld, voor wien deze eere in de hooc/ste roll-oiiienheid was weggelegd, en die man was David. David bij wien deze twee dingen plaats grepen ten eerste dat metterdaad „in den ondersten kuil zonder water'' geworpen hij werd, en ten andere dat de Heilige Geest, toen hij zijne bange klacht uitstortte van eigen lijden, hem als instrument voor de 0])enbaring van Messias' lijden koos, en, den toon zijns Marjens oneindig verdiepend, alsnu door inspiratie over zijn lippen die klacht der volstrekte verlatenheid liet komen, die niet door inspiratie, maar door de realiteit eens moest komen over de lip])en gelijk het
wordt,
:
van Messias. Zoo is dus nit de rooridtdoorlering van Golgotha de zielsklacht in Psalm 22 geboren, en Christus, op Golgotha zelf dien kreet der helsche benauwing uit zijn ziel stootend, zei niets na en zei niets op, maar scheurde uit zijn bezwijkende ziel, wat er naar de schrikkelijkheid zijns doods en de oneindige diepte zijner gewaarwording, op dat oogenblik met volstrekte noodzakelijkheid over zijn lippen
komen
moest. Hij, het eeuwige Woord, de Zone Gods, was mensch, was vleeseh, was ons gelijk geworden, de zonde alleen uitgenomen, f/elijJi in
alle ding.
het allerinnigst en teederst had hij onze menschelijke natuur goddelijke natuur vereenigd. Niets, hoe zou het, ging zijn Godheid af, en toch uit teeder erbarmen, beschikt hij het, op voor ons onbegrijpelijke wijze zoo, dat toch die menschelijke natuur ongeschonden menschelijk bleef, zoodat wij waarlijk zouden kunnen getuigen: Ja waarlijk ons vleeseh! Als onzer één
Op
met van
zijn
geworden aldus nu zijnde, was hij ingegaan in het onze. In onze in ons zondig en verdorven leven in dezen ellendigheid puinhoop, dien we wereld in deze ruïne, die we ons menschelijk
En
diepe
;
;
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's