Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 164
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
-
„A^ERDEOOGD ALS EEX POTSCHERF."
15(3
en die poischerf valt op den heeten bodem van den oven, daar liggen. Als de pot hard is geworden, wordt die pot uit den oven uitge-
scherf
en
af,
blijft
nomen, maar de poiaclierf niet. Neen, naar die potscherf ziet niemand om. Die blijft er liggen. En als morgen weer de oven gestookt wordt, moet die potscherf nogmaals de hitte doorstaan. En den daa; die daarna komt gaat zij weer in de gioeiing. Ja, zoo dikmaals er een leemen pot gehard moet worden, altoos gloeit en brandt die verachte potscherf mee. En daarom nu zegt de Heilige Greest, dat Messias' lijden was als het gebrand worden van een potscherf; want immers in dat ééne lijden C^hristi was de hitte der branding van Grods toorn tegen
al
zijn
uitverkorenen
in.
o, Kruis van Grolgotha, in wat diepte van zelfbeschaming werpt ge dan niet den beste van Grods kinderen neer. De toorn Gods over ééne enkele zonde kunnen we ons ternauwernood indenken, of ergens houden we op, omdat we de doorgisting en zieding van dien toorn in ons eigen ingewand niet verder indenken kunnen. En wat moet dan „de eeuwige straf beide aan ziel en lichaam"
wel niet
zijn ?
Eeuwige rampzaligheid, het
is
niet in te denken, laat staan, in
te leven.
dat nooit wordt uitgebluscht. Een worm die nooit Buitenste duisternis, waarin het akelig stil door niets wordt afgebroken dan door de weening der rampzaligen en het knarsetanden der onbekeerde goddeloosheid. O, men wil van een hel niet meer hooren. En zeker, men heeft lange jaren veel te onnadenkend met dat schriklijk woord geschermd.
Een vuur
sterft.
is er dan toch. En ze is zoo ijslijk, zoo onbeschrijflijk Eampzalig voor een eeuwigheid. En zelfs niet een enkele droppel waters, die een ontfermend hart aan den uitersten top
Maar
die hel
vreeslijk.
naar ons toe zou dragen, om onze tong te verkoelen. nu, dien eeuwigen dood, die eeuwige rampzaligheid, die hel heeft onze Borg en Middelaar nitr/edronken. Eli, Eli, Lama Sabachiani! schreide het uit zijn gefolterde ziel, zijner vingers
En
en er was geen ontferming en er mocht geen ontferming zijn. Ware de Middelaar toen ontfermd, zoo waren wij nooit ontfermd geworden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's