Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 186
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
!
„WONDERBAARLIJK OMLAAG GEDAALD."
178
welbehagen heb."
Hij, Grod geopenbaard in het vleesch, het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, en die het afsehijnsel zijner heerlijkheid droeg. En die heerlijke persoon nu door ruwe gerechtsdienaars aangegrepen, gebonden om de polsen met koorden, voortgeduwd en mishandeld, bespot en in het aangezicht gespuwd, met striemen gegeeseld, en gevloekt, en straks met spijkers door de handpalmen geslagen en naakt uitgetogen aan het schandhout genageld; o, zeg zelf, is het ook hier niet, ja, niet hier veel meer nog dan 1)ij Jeruzalems puiuhoop: ,,IIoe wonlerhaarlijJc omlanq qedanldr
Neen, die diepte waarin oog niet. Daar kunt ge niet bij.
uw Heiland wegzonk,
die peilt iiw
Daar zoudt ge
eerst eeniglijk, door zelf in eeuwig verderf wegeen besef van kunnen krijgen. Die diepte peilt Satan. Die diepte ]:)eilen de eeuwig verlorenen. Die diepte is zoo diep als de bodem der eeuwige verderving ligt. AVant daar, daar had elk kind van God in moeten wegzinken. In die die])te had elk nu geredde moeten afdalen. Zoo laag en wonderbaarlijk laag hadt ge eeuwiglijk moeten verzinken. En daar, daar daalde hij, uw Heiland, voor Grods volk in af. Om het al zelf en voor u uit te drinken, wat u eeuwiglijk de bittere drank der verdoemenisse zou geweest zijn. Om in dien stroom van vloek en dood onder te worden gedompeld, waarin gij eeuwiglijk zoudt verzwolgen zijn. En om in te dalen tot in die allerdiepste en wonderbaarlijk diepe vernedering, die eeuwiglijk uw lot zou geweest zijn, zoo er geen hulpe ware besteld bij dien Held! te zinken,
En daarom roept de Schrift u toe Zie op dat kruis, aanschouw de ontzettendheid van dat geheim en verborgen lijden. Hoor dat roepen: „Gr ij allen die op den weg voorbijgaat, ziet of er een smart is gelijk mijne smart", en roep dan met den profeet in verbazing en met aangrijping der ziele het ook van uw Heiland :
uit: ..Hoe tronderhaarlijk omlaari f/edaald!"
Hij stof en
die
alle
weedom
engelen en serais gebiedt, ineenkrimpend in liet des harten, dat een engel hem vertroosten moet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's