Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 215
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
„VADER, IX rWE HAXDEX' BEYEEL IK MIJNEN GEEST.
'
2ü7
hebt; en bovenal zoo de toorn Gods in die schrikkelijke werkelijkheid voor u is getreden, dat ge zelf aan uw eigen ziel gevoeld hebt, hoe ge onder het wee en het wicht van dien toorn uws Gods eeuwigiijk moest verzinken. Dan toch wordt het bange feit, dat uw Jezus op één oogenblik des tij ds door die woede van JSatan, door dat afgi'ijzen van den Dood, door dien vloek der zonde, en door den toorn van uw (xod, als met een vernielenden stroom overstelpt, en er in verzwolgen werd, nog zoo heel iets anders dan dat uitwendige wegsterven aan het kruishout, dat ge dat kruis bijna vergeten zoudt, om alleen op dat diepere lijden al den ernst en al de aandacht viwer liefhebbende ziel saam te trekken, en ontzet te worden, zoo dikwijls weer uit dien donkeren geheimzinnigen achtergrond van Golgotha het klagend roepen u in de ooren' klinkt,: „o Gij allen die op den voorbij(f aat, schowivt het aan en ziet, of er eene smart is f/elijJc loefi mijne smart, waarmede de Heere mij verdrukt heeft ten dage van de hittir/lieid zijns
toorns.^'
Maar, helaas, op dien weg die achter het zichtbare omloopt, en over de velden des geestes gaat, gaan zelfs nu nog zoo weinigen voorbij. Bijna een iegelijk wandelt aan den voorkant langs, en heeft ook bij Golgotha geen oog dan voor wat het lichamelijk oog gezien, en geen oor dan voor hetgeen met het lichamelijk oor gehoord werd. Alleen de dieper ingeleiden onder 's Heeren volk wagen zich op dien donkeren weg over den achtergrond, waar ze hun Middelaar zoo hartaangTijpend en zoo zielverscheurend klagen hooren. Slechts een zeer enkele waagt zich op dien weg in de donkerheden tot den einde toe. En toen die worsteling met den eeuwigen Dood feitelijk plaats greep, toen was er letterlijk niemand die den Middelaar op dien hangen weg dorst nasluipen. Niemand was in die ontzettende woestenij van den eeuwigen Dood met hem. Tot in den diepsten afgrond van den Dood daalde hij gansch alleen neder. Hij, Immannel, voor ons zondaren, opdat wij in dien eeuwigen Dood nimmer verzinken zonden. En daarom is in het hachlijkst oogenblik, toen eindelijk de poorte van den eeuwigen Dood voor hem openging en hij er in weg zou zinken, zijn geroep om mededoogen niet tot eenig menschenkind, niet tot Petrus met zijn weerloos zwaard, en niet tot Johannes met zijn tekortschietende liefde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's