De engelen Gods - pagina 163
159
"WOONSTKDE DES ENGELS.
ook
Immers,
we
zoo
deur opentrekken, die kleuren-
die
dan toch het landschap
ligt
voor
kleuren
en
tinten
houdt,
al
daarna
illusie op,
en
ons,
we
zijn
in
zijn eigen,
wel
zeer
icezenlijke
staat
in
om
het
onderscheid tusschen die echte en die straks valsche tinten in te zien.
Bovendien, kleur
is
heel iets anders dan plaats. In den donker
onze kamer
in
die
tafel
staat,
een
is
geheel kleurloos, maar dit neemt niet
weg, dat we ons zeer wel van het bestaan, en
van die
dcuir staan
tafel
overtuigen kunnen. Hef ik daarentegen het begrip van plaats op, dan het bestaan zelf der zaak voor mij
is
ergens
want of men nu
zijn;
uw
voorstelling;"
mi]
op
al
opgeheven. Iets wat
antwoordt:
»Dit
moet
is,
zoo alleen voor
is
dat baat mi] niet, want wat nergens is, houdt voor wezen en te bestaan. Dat ik het niet anders denken kan, hangt saam met mijn schepping, eu is nu de mensch, ook in redelijken zin, naar Gods beeld geschapen, dan volgt hieruit, dat deze voorstelling van plaats, die van mijn denken en mijn besef volstrekt onafscheidelijk is, niet bij mij in de lucht hangt, maar alleen daarom in mij
en
te
omdat
is,
uit
God
ze,
mij
in
het ook in verheven wijze, evenzoo
zij
ook deze voorstelling van plaats en
Hem
in
slechts
is;
God,
God den Heere oorspronkelijk
in
verhevener vorm bezit dan
flauwe
een
volkomen •een
een
is in
nageschapen. Ge moogt dus wel zeggen, dat
is
bij
ons,
afschaduwing gevonden wordt, van wat in
maar men moet ons
heel ons bewustzijn
niet willen diets
is
ons
zoodat in
Hem
maken, dat zulk
beheerschende voorstelling slechts een soort
waardoor wij de dingen beschouwen. Kant zoo hebben voorgesteld, en in de scholen der afgedoolde wijsbegeerte moge dit alzoo ingang hebben gevonden, maar voor ons, belijders van den Christus, blijft het onmogelijk, zoolang Ave aan de schepping van den mensch naar den beelde Gods vasthouden, ook maar één oogenblik op deze gezochte en nietsprisma
menschelijk
Dit
moge een
zou
zijn,
wijsgeer als
zeggende oplossing in
Komen we nu na
te
gaan.
deze
wel
eenigszins
inleiding op de vraag terug,
zakelijke
breede,
maar toch nood-
wat we o-mtrent de plaats der
engelen wereld hebben te oordeelen, dan volgt reeds uit het
we ook
hier
wezens
te
met louter
doen
hebben,
geestelijke,
God.
is,
behoeft geen
Alomtegenwoordigheid
bepaling,
gelijk
die
alleen
ontstentenis
den
als
hieruit
beperkt
dat
ze
om
niet
van
elke
deze
alom-
en
bepaald
moeten
hij
beperking en
Oneindige kan gevonden
schepselen eindige wezens
en overmits de engelen vanzelf,
is,
Dat een engel
nadere aanwijzing; dan toch ware
is
in
te lossen.
dat
feit,
zoo weinig gekende,
onmogelijk het voor ons
hoe
vraag met zekere preciesheid op
tegenwoordig
en daarom
zijn, zijn.
Avorden;
zoo volgt
Wat
de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's