Het Calvinisme - pagina 51
HET CALVINISME EN DE RELIGIE
47
moet dragen. De thans veldwinnende meening kiest voor het normale standpunt. Niet alsof ons geslacht als één geheel genomen nu reeds aan de hoogste religieuse norma beantwoorden zou. Dat beweert niemand. Dat ziet ieder wel beter en anders. Empirisch stuit men veeleer op veel irreligiositeit en gebrekkige religieuse ontwikkeling. Alleen maar, juist in dit langzaam proces van de laagste trap
naar
het
hoogste
ideaal
ziet
men de door
het
normale
geëischte ontwikkeling. Het eerste spoor van religie komt dan reeds bij de dieren op. Ge ziet het in den hond die zijn meester adoreert. Maar de ontkieming van den „homo sapiens" ^) uit den chimpan-
hooger stadium. Sinds doorliep ze gansch een scala. En thans is ze bezig zich los te maken uit de windselen van kerk en dogma, om over te gaan in wat men acht een nóg hooger stadium te zijn, dat van de onbewuste voeling voor het ongekende Oneindige. Tegenover deze theorie nu staat principieel de geheel andere die, zonder de praeformatie van schier al het menschelijke in het dier te loochenen, en erkennende dat het dier naar des menschen beeld, gelijk het in Gods gedachten was, geschapen is, gelijk de mensch naar den beelde Gods, den eersten mensch in zuivere verhouding tot God, d.i. in echte religie laat optreden, en niet uit zijn schepping, maar uit zijn val in zonde, de vele lagere, onzuivere vormen der religie verklaart, die ons saam het beeld geven, niet van een proces dat uit het lage naar het hooge leidt, maar van een jammerlijke degeneratie, een degeneratie die uiteraard herstel van de ware Religie alleen mogelijk maakt in den soteriologischen weg. Ook ten opzichte van deze tegenstelling nu is de keuze van het Calvinisme beslist. Ook hier, gelijk in alles zich plaatsende voor het aangezichte Gods, wordt de Calvinist zoo overweldigend door de heiligheid Gods aangegrepen, dat het schuldbesef zijn ziel verscheurt en de schrikkelijkheid der zonde hem met centenaarsgewicht op het gemoed drukt. Elke poging om de zonde als een onvolkomen stadie op den weg naar de volmaaktheid te verklaren, wekt zijn toorn als een beleediging van de majesteit Gods. Hij beleed van meet af wat Buckle in zijn Geschiedenis van Englands beschaving, uit heel ander standpunt empirisch nawees, dat wel de see,
')
treedt
de
religie
in
een
Linnaeus noemde den mensch
begaafde wezen.
:
homo
sapiens
d.
i.
het
met zelfbewustzijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 192 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 192 Pagina's