Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 26
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
:
„DE HAXD DIE MET MIJ IN D^S SCHOTEL IXDOOPT."
18
Jezus' eigen oordeel over Judas gaat in spanning dan ook alles boven wat Jez.us over zijn vijanden heeft uitgesproken. Yoor de ruwaards die hem aan het kruis nagelden bidt hij nog „Yader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen." Tot den man die hem zoo onbegrijpelijk, tot driemalen toe, met bezwering verloochenen zou, zegt Jezus „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude." Maar hier bij Judas lost alle ontferming zich op in het schrikkelijke wee over den man, voor wien niet geboren te zijn geweest, verkieslijk ware. Ook tegenover Judas geen wraakgeroep op Jezus' lippen. Xog in Grethsémané heet het „ Vrieml, waartoe te
:
:
hier?" Zelfs tegenover
zijt
gij
Judas leeft nog snijdende huivering bij het rampzaligheid in Jezus op. Maar toch, genade is hier afgesneden. Hier zijn de wateren der ongerechtigheid te hoog geklommen. Hier breekt geen enkele lichtstraal van redding meer door. Over Judas hangt voor Jezus' oog niets dan donkere, zwarte nacht. Jezus ziet het reeds in den geest, hoe hij zich zelven gaat verworgen, en verworgd ter helle vaart. Om ons kinderen der menschen van zonde te redden, moest Jezus de zonde der menschen tegen zijn persoon, tegen zijn leven op het ontzettendst, uit haar diepste diepte laten opbruisen. En die opbruising van de giftige wateren der zonde uit haar diepsten kolk, is niet op Golgotha, is niet op (rabbatha, is niet in het Sanhedrin, is zelfs niet in de personen die Jezus aan het kruis lasterden, maar is in Grethsémané gezien, toen Judas den Zoon des menschen verraden kon met een kus. En daarom het oogenblik toen Jezus den afgrond, die tusschen hem en de zonde gaapte, het bangst gemeten, en het snijdendst in zijn heilig hart den vreeselijken greep der voleinde zonde nijpen voelde, was toen het tusschen hem en Judas stond.
indenken
van
zijn
Grerechtelijke
moord
is
ontzettend,
maar verraad
grijpt het hart
veel dieper aan.
Toch moet ge daarom
in Judas niet een aterling zien, die door onmenschelijke boosaardigheid buiten u en uw geslacht staat. Daar neigt het oordeel wel toe, en bij zoo schrikkelijk laaghartigen gruwel kunt ge u haast niet inbeelden, dat ge nog met een mensch van gelijke bewegingen als gij te doen hebt, en dan ziet ge in Judas meer een duivel dan een mensch. Maar de historie van het Evangelie wraakt en weerspreekt die geliefkoosde voorstelling, die over Judas als een demon heenvalt, om het eigen zipi
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's