Het Calvinisme - pagina 157
HET CALVINISME EN DE KUNST En nu dan muziek,
een
153
ten slotte de beteekenis van het Calvinisme voor de uitnemendheid die minder bekend, maar daarom niet
minder hoog van beduidenis, gelijk Douen in zijn twee dikke octavo-deelen ^ ons dit voor nu tien jaar verklaard heeft. Muziek en schilderkunst loopen hier evenwijdig. Gelijk in de kerkelijkaristocratische periode alleen het hooge en heilige de meesters van het penseel boeide, zoo heerschte op muzikaal gebied de zeker diepe, maar eentonige cantus planus of plain chant van Gregorius, die den rythmus verzaakte, de harmonie niet kende, en door zijn aanvankelijk conservatief karakter, naar een kunstkenner getuigde, aan alle ontwikkeling van de toonkunst in den weg stond "). Laag beneden die plechtige toonkunst sloop in de volkskringen een vrijer zang rond, die vaak aan den Venusdienst zijn bezieling ontleende, en tot ergernis der betere kerkvorsten, met name op het dusgenaamde „ezelsfeest" tot binnen de kerkwanden doordrong, en aanleiding gaf tot die stuitende tooneelen, waaraan eerst het Concilie van Trente paal en perk heeft gesteld ^). De kerk alleen mocht de golven der tonen doen ruischen, wat het volk musiceerde werd beneden de waardigheid der kunst gerekend, en zelfs in het bedehuis moest het volk de muziek wel aanhooren, maar zelf meezingen mocht het niet. Zoo bleef de muziek als kunst een zelfstandige positie derven. Alleen voor zooverre ze de kerk dienen wilde, kon ze als kunst bloeien. Wat ze op eigen erf wagen dorst, verhief zich niet boven populair gebruik. En gelijk nu op elk terrein des levens het Protestantisme in het gemeen, maar consequent alleen het Calvinisme, aan de voogdij der kerk een einde maakte, zoo is ook de toonkunst voor haar vrijmaking en voor de ontsluiting van den weg tot haar aan het Calvinisme dank vergeheele moderne ontwikkeling schuldigd. Het zijn toch de toonzetters van het Calvinistisch Psalmgezang geweest, die het eerst den moed grepen, om zich van den band van den Cantus firmus los te maken, hun melodieën ') O. Douen, Clément Marot et Ie Psautier Huguenot. Deux volumes en grand Octavo de 738 et de 713 pages. Paris a l'imprimerie nationale. 1888/9. ^) Le résultat de la conservation perpétuelle d'un système de tonalité, ou de la forme de la gamme, est rimpossibilité du progrès dans I'art. Biographies des musiciens. Introduction p. LV. ^) Conc. v. Trente 22e Sessio, Sept. 1562. Ab ecclesiis vero musicas eas ubi, sive organo, sive cantu lascivum, aut impurum quid miscetur, item seculares omnes actiones, vana atque adeo profana, colloquia deambulationes,
strepitus, clamores, arceant, ut et dici possit.
domus Dei
vere
domus
orationis esse videatur
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 192 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 192 Pagina's