De engelen Gods - pagina 194
DE ENGEL DES HEEREX.
190
zijn
engel op, en valt alzoo uit deze verschijningen voor
als
niet
daarbji
betrekking tot de engelen wereld niets af
Nu
treedt deze
ïoen Hagar, zoo lezen we,
op.
ondergaan
uit
die woestijn de Engel des Heeren,
staat.
al
spoedig,
dat het geen
gewone engel kan geweest
»Ik zal het zelf doen".
aan
een
vond haar
zal
uw
in
uw
in
zaad groo-
niet spreken.
Hij
zaad zeer vermenigvuldigen", maar niet:
Menschen
geschapen
zelf
Immers
zijn.
»//; zal
Zoo nu kan een engel
vermenigvuldigen".
kan wel zeggen: -^God niet
vSur,
een waterfontein. Oppervlakkig
bij
10 zegt de verschenen Persoon tot Hagar:
telijks
na Sarai's tuchtiging
men daarentegen nauwkeuriger, dan ontwaart men
Leest
bij
VS.
te
;
tente,
er nu licht toe komen, om dit van een gewonen engel meer daar in het Hebreeuwsch het lidwoord de er niet
men
te verstaan
Abrams
hebben, vluchtte naar de woestijn van
te
bezien zou
leiden.
te
»Engel des Heeren" in Genesis 16:7 geheel onverwacht
scheppen
te
maar
engel,
is
toch een daad, die
alleen aan den Schepper
Hagar ontwaart dan ook zelve, dat ze niet slechts met maar met Jehova zelven te doen heeft, en noemde uit dien
zelven toekomt.
een »ena-el",
volgens
hoofde aldus:
sCtij
vs.
God
des
13
»de7t
naam
aanziens".
Avoestijn Berséba, verschijnt die
des Heeren^ die met haar spralc",
Bij Hagars tweede vlucht, nu in de »Engel des Heeren" haar ten tweeden
male, en ook hier geeft deze verschenen Persoon feitelijk te kennen, dat hij zelf God is, want hij zegt tot Hagar: »lk zal Lsmaël tot een
Ook hier kent hij zich dus toe een daad, wel niet van schepping, maar toch van voorzienvj bestel, zooals dit aan geen o-eschapen engel, maar alleen aan God toekomt (Gen. 21 18). Iets Avat nog nader blijkt uit wat God, blijkens Gen. 17:20 tot Abraham volk
o-root
stellen".
:
sprak:
hem
»
Aangaande Tsmaël zoo heb
tot een groot volk stellen."
Stellig
bewijs^ alzoo,
—
De
gij
God
tot
en
We
zal
zelf geheel hetzelfde.
God
lezen toch in Gen.
zelf
bij
de
22:11: »De
Abraham van den hemel zeggende: »Nu zijt, en uwen zoon, uwen eenige, van
vreezende
Mij niet onthouden hebt". spreekt,
God
dat het Ik in dezen engel het Ik van
Engel des Heeren riep weet ik dat
gebed verhoord, en Jk
derde maal treedt deze hoogheilige Persoon op
offerande van Isailk op Moriah.
hier
uw
de ééne plaats verklaart dus de
des Heeren, en op de andere plaats
Eno-el
was.
ik
Op
Het
deze zegt dat
is
alzoo de »Engel des Heeren" die
Abraham
zijn
zoon van
Hem
zelven,
van God, niet onthouden heeft. En blijkens vs. 15 v.v. komt dit uit in het tweede roepen van den Engel, als hij zegt: »Ik sterker nog zelven, spreekt de Heere, Ik zal uw zaad grootelijks Mij zweer bij
d.
i.
vermeniö-vuldigeu." Soortgelijk verhaal lezen
we
waar de » Engel Gods" aan Jacob bij Laban Engel tot Jacob zegt (vs. 13): »lk ben die
verschijnt, en
gij
in Gen. 31
:
11
v.v.,
waar deze God van Beth-El, waar
Mij een gelofte gedaan hebt"; terwijl Jacob zelf
bij zijn
zegen aan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's