De engelen Gods - pagina 267
26S
DE ROEPING DER ENGELEN'.
komt er iets in het leven ook derzulken voor, waardoor ze in toorn opvlammen en uit hun ruste worden opgejaagd, of ge hoort ook over hun lippen den vloek komen, die in hun hart al dien tijd school, maar die nu eerst naar de lippen dringt. Eerst als de wedergeboorte intrad, en de ziel tot den levenden God bekeerd is, wordt dit anders, en ontstaat de behoefte, niet meer om te vloeken, maar om te zegenen, niet meer om te lasteren, maar om te loven. En als dun het leven heftig in beweging geraakt, dringt niet de vloek, maar de hede om Gods hulpe, of de lof van zijn naam naar de lippen. En evenzoo nu is het in de wereld der gevallen engelen. Ook uit hen is de hun ingeschapen drang om met God bezig te zijn, en zich voor God te uiten, door hun val niet weggenomen. Diezelfde drang werkt ook in hun gevallen staat, maar met tegenovergestelde uitwerking. Evenals elke vogel geluid geeft, maar de nachtvogel die zingen
niet
ook
vervalscht, is
kan,
krijscht
demonen de uiting der geesten wanklank geworden, en het afgrijselijke en weerzinwekkende. Dat
elke uiting een dissonant, een
is
schoon verkeerd in
alle
en de afgrijseliikste klanken uitstoot, zoo
de wereld der duivelen en
in
is
we daardoor zoo goed, menschen gewoon
weten
dat
we
een wild geschreeuw en ge-
met den naam van helsch lawaai te bestempelen, en den duivelschen grijnslach der demonen zich zien afspiegelen in den boozen schaterlach, waarmede de spotter onder de Steeds hebben de kinderen der menschen Gods heiligheden belacht. onheilige sfeer waarin de demonen leven, poogdie ons de dichters, krijsch onder
den
dan
wordingen,
worden. dat
op
die
Het
in
tieren, één grijnzen
vloeken,
één
Gezalfde,
en het ruwe vloeken en Godlasteren
ons
soms
Avat het tegen
verschrikt,
razen,
geeft slechts ^een zeer
zwakken
elkander horten en stooten van deze helsche
Zoo bes})curt ge dus wel, dat het loven van de engelenwereld wel verre van bijzaak te zijn, veeleer hoofdhun roeping is. Zij zijn de heilige speellieden voor Gods
wanklanken in
één
één
zijnen
is
aarde
indruk van
God
ook
God en
zaak
op die schrille, schreiende, angstverwekkende genadruk gelegd, als op een der pijnlijkste gewaarin deze sfeer van jammer en verderf ondergaan
schilderen,
te
luiden
tegen
zijn
zijn
moet.
En voor zoover wij menschen reeds hier op aarde zekere symphonie met hen voelen kunnen, is er geen beter middel om het vloeken en het lasteren van Gods Naam te keer te gaan, dan dat van alle einden der aarde het loflied worde aangeheven. Psalmen tot
troon.
Gods
eer te zingen
is
het tegengif tegen de verleiding tot den vloek.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's