De engelen Gods - pagina 271
wederkomst betrokken
zijn
bij
na
DER ENGELEN.
STRIJD
1)E
267
Wie goed
zijn,
staat, belijdt
dan ook,
sterven, afgescheiden van zijn lichaam, alleen in de
dat
hij
zal
voortbestaan, en Avel reeds in dit voorloopig bestaan, rijke zalig-
heid
zijn
ziel
maar dat toch de volle heerlijkheid pas dan zal Koning der koningen en de Heere der heeren den
genieten,
zal
de
ingaan,
als
laatsten
vijand
te niet zal doen,
en
zijn
Koninkrijk voor eeuwig zal
doen insfaan.
nu echter alzoo de zaak, dan
Staat
Hoe kan
een verloste, die alleen
en dies enkel
God
met den
slaap
ligt
onzen
slaap
kwijt
wakker.
en zijn
Soms spreekt
van wel
hij
Hij beweegt zich,
doet,
doet in den slaap niet Feitelijk
toe.
want
ziekelijke
onmatigheid
in
en de liefde zijner In de vergelijking-
V
want
niet,
in
zijn
als
slaap,
hoort,
hij
maar
dit te willen.
we ook
in
hij
Wat
is
hij
weer
weet er niet het lichaam
maar gaat onwille-
zin en wil,
dus geschorst. Zeis niet
ziel
gesteldheid
in
r/é'/?^^?^
opgeheven,
het lichaam, of ook de gevolgen van
drank, doen zich wel terdege ook in onze
en
spijs
zijn
de inwerking van de ziel op het lichaam en
is
van het lichaam op de
tweede vraag:
en de heerschappij over ons lichaam
maar zonder hij met
van.
keurig
hierbij de
bestaat, zijn lichaam derft,
Heiland toewijden
hoort
slaapt
ziel
ontegenzeggelijk dit ware, dat
toch
gebruik
het
Wie
zijn.
rijst
<1e
genieten en zalig
geestelijk leeft,
zijn
aan
ziele
in
droomen gevoelen. Geheel gaat de vergelijking dus niet door; maar ook al spreken we slechts van schorsen, zooveel is er dan toch van aan, dat we ook in onzen slaap een toestand doorleven, waarin de Uit dien hoofde ziel min of meer van het lichaam is afgescheiden. is bij
het dan ook, dat de Heilige Schrift zelve den dood zoo dikwijls den slaap vergelijkt, en ter verduidelijking van den dood allerlei
beeldspraak aan ons nachtelijk bestaan pleegt
geven moet dan ook, dat waarin de afgescheiden
men
ziel
bij
bestaat,
te
öntleenen.
Toege-
het bespreken van d(n toestand, zich
nog
te
weinig rekenscha])
heeft gegeven van de berooving en het gemis, waarin de afgestorvene in dien toestand van
afjïescheidenheid van het lichaam verkeert.
We
zijn ziel en lichaam geschapen. Alleen wanneer we zóó bestaan, bestaan we naar onze volle menschheid. En in den tusschentijd, dat we het lichaam derven, rnissen we alzoo iets, en verkeeren we in een
ons onnatumiijken
waaraan eerst door de wederopstanding Dit echter wordt geheel uit het oog
toestand,
een einde zal worden gemaakt. verloren, als
na
zijn
staat,
men aan
zijn
afgestorven dooden, of ook aan zich zelven
dood denkende, zich inbeeklt, dat reeds
ons
itiets
te
wenschen
gemist zou worden, ook
al
in dien
voorloopigen
over zal blijven, en dat er niets door ons
ontvingen we ons lichaam nimmer terug.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's