Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 200
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
!
„ALLES A'OLBRACHT.
192
„Bepaald", ook opdat het kruis van den Zoon van Grod in stee van de zielen te verbijsteren en te verwarren, juist omgekeerd een bezegeling van den Woorde Gods in ons oog zou zijn. Bepaald", niet liet minst, opdat de Christus zelf, dit al vooruit doorlevende, duizend dooden sterven zou eer hij stierf, en daardoor met helder bewustzijn, d. i. met zedelijke wilskracht en overgave, geen in bedwelming over hem uitgestort, maar een in nuchtere ,.
klaarheid vooruit gezien lijden, doorworstelen zou.
Of mag, kan
dit niet ?
wonderbaar? Maar, ik bid u, zal een moeder, wier zoon tot het martelvuur gedoemd is, dan wél in haar gezichten des daags en in haar droomen des nachts, doorleven kunnen al wat haar kind doorworstelen gaat, doorleven kunnen en mogen en het vooruit als zien, die ketenen, en dien optocht, en die houtmij t en dat vuur en dien paal en die en zal God Almachtig, als Hij zijn beulen en dat stuiptrekken, eenig Geliefde voor u in den dood geeft, daarmee dan niet in die Is dit voor Grod te
—
bijzonderheden mogen bezig zijn, dat niei mogen vooruitzien, dat niet mogen indenken, en zich vergenoegen moeten met een ruw, omtrekloos beeld van de ure der duisternis die komt En indien wel, indien ge dan toch gevoelt, dat (xolgotha, reeds bij schepping en verbondssluiting, om de liefde des Welbehagens, middelpunt van Gods gedachten was dat het niet anders kon of God de Vader moest met het lijden zijns Zoons bezig zijn; ja, dat bij al zijn heilig scheppen en bezielen altijd weer dat kruis voor zeg zijn heilig oog in al zijn sombere tinten moest opdoemen, mij dan, mijn broeder, waarom aarzelt gij dan nog? Of ziet de Heere dan soms, naar uw kleinheid, slechts de „groote omtrekken", zonder op „het kleine" te merken ? En, ik dacht, elk haar van iiw hoofd zou geteld zijn! En dan niet de doornen, die dat gezegend hoofd aan bloed zouden schrijnen ? Of heeft de Vader dan al deze smart en smaad wel in zijn voorkennisse gezien, maar mocht of kon Hij er niet van sprelcen' En indien Hij, toch tot en door zijn profeten sprekende, wat immers ook gij belijdt, niet van dien Zoon, veel min nog van dat „Lam dat ter slachting gaat" zwijgen kón, is het u dan zoo vreemd, dat die Zoon, mensch geworden, en dat boek der profetie openslaande, daarin vond en zag en las wat zijn Vader in de hemelen in zijn eeuwige liefde, voor hem vooruitgeleden, over hem beraamd, van hem gesproken had, en beseft ge dan niet met wat volle teugen die Zoon, eer hij lijden ging, een zoo teedere liefde indronk, ;
—
—
die
hem o.
in dat kleine, in dat bijzondere zoo goddelijk uitblonk, zoo teeder toesprak, en onderving bij het zinken ? Beschouw het in dat liclit: Die Jijdensprofetie in lief Oinle
juist
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's