Het Calvinisme - pagina 114
HET CALVINISME EN DE WETENSCHAP
110
een
verwildering van het menschelijk leven tot uitkomst
algeheele
waarvan vóór den Zondvloed gezien is. Maar God heeft dit, omdat het tot algeheele vernietiging van zijn Goddelijk kunstwerk zou leiden, niet geduld. Hij is in alle mensch, in heel ons geslacht, in onze natuur zelve met genade tusschenbeide getreden. Die genade doodt de kern der zonde volstrekt niet, die genade redt in niets ten eeuwigen leven, maar die genade stuit de doorwerking der zonde evenals menschelijk doorzicht de woede stuit van het wilde dier. De mensch kan het dier onschadelijk maken door kan het bedwingen door het te temmen hij kan het hij traliën aantrekkelijk maken door het te domesticeeren, d. i. door bijv. den uit zich zelf wilden hond en kat te maken tot zijn huisdier. Zoo nu ook bedwingt God door genade de werking der zonde in den mensch, deels door hem te breken in zijn wilde kracht, deels door zijn boozen geest te temmen, deels door zijn geslacht te domesticeeren. Deze gemeene gratie kan dus tot de uitkomst leiden, dat de gevallen zondaar ons boeit en aantrekt door veel liefs en veel energie, evenals huisdieren het doen, en dan natuurlijk naar menschenaard; hebben gehad,
iets
;
;
maar de natuur zelve
blijft
er
even
giftig
om.
Men
ziet dat
aan de
woud teruggebracht, reeds na twee generatiën, weer oude wilde dier is. Men zag dat aan de menschelijke natuur helaas pas nog in Armenië en op Cuba. Wie in de historie leest van de gruwelen van den Bartholomeüsnacht, is licht geneigd die gruwelen op rekening te stellen van de mindere beschaafdheid dier tijden, en zie, onze negentiende eeuw heeft door de moorden in Armenië die gruwelen nog overtroffen. En wie in Nederlands historie las van de tergende wreedheden, waarmee de Spanjaarden in de 16e eeuw in de dorpen en steden van Nederland tegen weerlooze ouden, vrouwen en kinderen hebben gewoed, en nu hoorde van wat op Cuba plaats greep, kan zich kwalijk verhelen dat in de 19e eeuw zich herhaalde wat de 16e eeuw geschandvlekt had, en dat, naar Buckle's volkomen juist beweren, de vormen van het kwaad wisselen mogen, doch dat het zedelijk kwaad in kiem en beginsel stand houdt alle eeuwen door. Waar het kwaad niet uitkomt, of niet uitkomt in die schriklijkheid, danken we dit niet daaraan dat onze natuur niet zoo diep bedorven is, maar aan God alleen die door zijne gemeene genade het uitslaan van de vlam uit het smeulend vuur belet. En vraagt ge hoe er uit aldus gestuit kat, die, in het
het
kwaad
ooit
iets
te
voorschijn
kan treden dat u
boeit, toespreekt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 192 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 192 Pagina's