Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 43
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
„KUNT
GIJ NIET
ÉÉX UÜK MET MIJ WAKEN?"
35
en zijn Grezalfde", dan heet het in den tweeden Psalm, dat God de Heere, in de ruste zijner majesteit nederziet (joosjeeb), en met Groddelijke satyre deze woede van Satan en zijn satellieten bespot en belacht. En zoo ongeveer zoudt ge wanen, dat ook uw Heiland tegenover de booze machten van vloek en dood had moeten staan. Zooals de Heere in een onweder tot Job van het paard zegt, „dat het de vreeze belacht", of gelijk ge van helden in den krijg leest, dat ze met volslagen doodsverachting, tegen het vuur van den vijand instormden, zoo zoudt gij willen, dat ook uw Jezus met een Groddelijk heroïsme over Gethsémané én Grabbatha en Golgotha én over de donkerheid van het graf getriomfeerd had. Of ook, als ge het heroïsme van den in bloed zich badenden krijgsman nog te onheilig vindt, om het in de worsteling van uw Heiland te zoeken, voor het minst zoudt ge dan toch het geloofsheroïsme van den martelaar in hem verwacht hebben, een sterven voor de zake Gods met een lofpsalm op de lippen. In de woestijn, bij de verzoeking, daar beantwoordt Jezus geheel aan uw gespannen verwachting. Daar treedt hij alleen den wijnpersbak zonder dat een enkele klacht hem ontglipt. Daar is het één triomfeeren over Satan in drie aangTijpende stadiën, en als eindelijk Satan afliet, is het de aftocht van den gewonden tijger die afdruipt voor de majesteit van den Leeuw.
Maar zóó is het op Golgotha, zóó is het vooral in Gethsémané niei. Het „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten", evenals het roepen „Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest", :
verraadt in niets den heldenmoed als grondtoon van zijn gemoedsstemming. En als ge uw Heiland in Gethsémané bijna bezwijken en inzinken ziet, zoodat een engel hem bij moest staan, om hem te sterken, dan bekruipt u bijna de wensch, dat dit pijnlijk tafereel niet mocht zijn voorgekomen dan verstaat ge dit „afbidden van den drinkbeker" niet, ook al volgt er op „Xiet mijn wil, maar uw wil geschiede" en als dan ten slotte uw Jezus, tot zijn jongeren teruggekeerd, klaagt: „Kunt gij dan niet één uur met mij waken?" wil het, al staat het er nog zoo duidelijk, ternauwernood bij u in, dat uw Heiland dit in ernst klaagde, en metterdaad aan het vertroostende bijzijn van zijn jongeren behoefte had. Zij die in Jezus niet „het Lam Gods", maar den „martelaar" eeren, geraken bij Gethsémané dan ook in pijnlijke verlegenheid. Bij Stephanus is geen oogenblik ook maar een zweem van ;
:
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's