Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 195
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
:
omdat in de vergieting van zijn bloed onze verzoening kon het dan ook niet de honger zijn, die hem kwelde, maar moest hij in zijn sterven op Grolgotha gekweld worden door Juist
school,
onlij delijken dorst.
]Siet toch in den honger, maar in den dorst speelt het geestelijk lijden door het lichamelijk lijden heen. Jezus zelf toont ons dat in de gelijkenis van den rijken man
den armen Lazarus, waarin hij ons dien rijken man schetst zijn oogen opendoende in de hel. En zie, wat hem nu in de helsche pijn verteert en kwelt, is niet de honger maar de dorst. Hij vergaat van dorstpijn, en zou een wereld geven voor een druppel koud water om het uiterste van zijn tong te veren
als
koelen. Alle helsche pijn wordt ons als valsche branding en onheilige gloed geteekend, een onuitblusschelijk vuur, dat om water roept,
maar door geen stroom van water
te blusschen is. tegenover die natuurlijke dorstsmart van de hel ons de zaligheid des eeuwigen levens wordt geteekend, dan staat dit altoos op den voorgTond, dat er in die zaligheid rjeen dorst meer zal zijn. Toen de nieuwe hemel en de nieuwe aarde voor den heiligen Johannes op Pathmos was neergedaald, en hij het hemelsch Jeruzalem aanschouwde, toen stond het Lam (lods voor hem, en riep „Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde, en ik zal den dorst irjen r/eren uit de Fontein van het water des levens te
En
als
drinken om niet!'" Gewisselijk ook het Brood des levens veel sterker nadruk legt hij er op, dat
is
hij
uw Heiland, maar toch uw eeuwigen dorst zal
„Die van dit water drinkt, dat ik hem geven zal, zal meer dorsten in der eeuwigheid !" En toen hij in den voorhof
lesschen.
niet
Jeruzalems tempel stond, ook klonk het van zijn !" die kome tot mij en drinke
van
toen
om
het volk tot zich te roepen, lippen: „Zoo iemand dorst heeft,
„Dorsten", dat was dan ook het schreiend amechtige beeld waarin reeds de psalmisten en profeten vanouds het roepen der ziel naar den levenden God ons hadden afgeteekend. „Gelijk een hert hijgt naar de waterstroomen, zoo smacht mijn ziel naar I", God. Mijn ziele dorst naar God, naar den levenden God!" o, !" „Mijne ziel dorst naar IJ in een land dor en mat en zonder water heet het in Psalm 63. En als Messias reeds vanouds door Jesaia de zijnen tot zich roept, gaat zijn stem uit „o, Alle gij dorstigen. :
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's