De engelen Gods - pagina 177
:
GABRIËL.
173
auu de dieren namen gaf, niet een afzonderlijken naam aan elk rund,
maar ligt
soortnaam aan elk soort van beesten gaf; maar dat daaraan, dat de dieren geen pei'soonlijk bestaan bezitten. Bij de slechts een
engelen daarentegen, die wel personen
zijn, evengoed als de mensch, bedenking geheel, zoodat de engelen niet alleen namen
deze
vervalt
gemak van de onderscheiding
voeren, die voor het
met noodzakelijkheid,
en
zelf,
persoonlijk bestaan
naam
eigen persoonlijken
een
dienen,
maar van-
eigendommelijklieid van hun
de
uit
Er
uitgeven.
ligt
alzoo niets vreemds in, dat er in de Heilige Schrift ook enkele bijzon-
namen van
dere
omgang
Van
al treden ze,
onzen menschelijken
staande, in den regel, zonder naam, eenvoudig als »de engel" op.
zulke en^elennamen zijn er ons nu in de Heilige Schrift slechts
twee medegedeeld, die
voorkomen, ook
persoonlijke engelen
ons menschelijk verkeer en buiten
buiten
wijl
alleen
voorkomen,
Michaël en Gabriël. Met liaphaël en Uriël,
w.
t.
boeken en
de apocryphe
in
we ons hierom
laten
in de kerkelijke overlevering-
niet in.
Alleen
moge
in
verband
met Michaël en Gabriël nog de Archangel of Aartsengel genoemd worden, overmits ambtstitel en persoonsnaam, daar waar slechts één zulk een ambt bekleedt, uiteraard saamvallen. Wat nu Gabriël aanbelangt, zoo weet elk kind onder ons, hoe er een engel aan Zacharias in den
tempel verscheen, die tot
ben
en
sta,
uitgezonden,
verkondigen"
Maria
tot
»Wees
hem sprak »i^ hen om tot u te spreken :
Gabriël, die voor
maanden
en hoe voorts deze zelfde Gabriël eenige
;
God
en u deze dingen te later
Nazareth werd gezonden, en voor haar ooren uitriep
in
gegroet, gij begenadigde, de Ileere
ïnet
is
u,
gezegend onder
gij zijt
de vrouwen.'' Minder daarentegen wordt er op gelet, dat dezelfde engel
ook
Gabriël
verschenen
reeds
toch
lezen
Dan. 8
in
eens menschen stem, die riep en zeide te
en
verstaan; en hij (namelijk Gabriël) als hij
zeide
tot
Dan. 9
de
La-ain
had,
:
kwam, mij:
21
:
man
snellijk
en
offers,
nu ben
hij
Daniël tot twee malen toe
van
de gezichten
in
We
was.
»
:
:
16 r
»En
ik hoorde als
Gabriël, geef dezen het gezicht
kwam
nevens mij, waar ik stond,
verschrikte ik, en ik viel op mijn aangezicht, en Vei^sta,
gij
menschenkind.'"
»x\ls ik (namelijk Daniël)
Gabriël,
dien
gevlogen, mij
ik
om
heet
het in
in het gebed, zoo
het begin, in een gezicht, gezien
aanrakende omtrent den
onderrichtte mij,
ik uitgegaan,
in
En evenzoo
nog sprak
hij
tijd
des avond-
en sprak met mij, en zeide: Daniël,
u den zhi
te
doen verstaan.''
En
hij
voegde
er bij »In het begin uwer smeekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dai te kennen te geven ; want gij zijt een zeer gewenscht man. Versta dan dit woord en m,erk op dit gezielit." Hieruit nu blijkt tweeërlei: Ten eerste, dat Gabriël behoort tot de zeven :
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's