De engelen Gods - pagina 58
VAN DE NATUUR DEÊ ENGELEN.
den Zoon des mensclien. De engelen staan niet hoven ons en ze staan niet naast ons, maar als wezenssoort zeer beslist onder ons. Immers 3), en ons^ maar wij zullen hen oordeelen (1 Cor. 6 heerschappij, koninklijke van uitoefenen het menschen terwijl ons als tot ons wezen behoorende, wordt toegekend, heet het van den engel veeleer, dat hij niet een heerschend, maar een dienend karakter bezit, reden waarom de apostel vraagt: »Ziin ze niet aWen die?wide gee&tenT' (Hebr. 1 14), iets wat hier niet zeggen Avil, dat ze nu of dan bewijzen of tot dienst gebruikt worden (dit toch geldt diensten van den mensch en van den Zoon des menschen evenzeer), maar
niet
zullen
zij
:
als
:
volgens geheel den samenhang uitdrukkelijk te kennen geeft, dat een dienende geest het eigenlijke wezen en karakter van den engel uit-
De
maakt.
Christus
wordt
toch in geheel Hebreen 1 als Zoon des
tegenover de engelen gesteld, en nu wordt met herhaald op het Oude Testament aangetoond, hoe niet aan de engelen maar aan hem de heerschappij toekomt, want dat het voeren van de heerschappij voor den Zoon des menschen even natuurlijk is, als het
menschen, beroep
voor de engelen.
dienen
In Openbaring 1 en 2 worden de Dienaren
genoemd, omdat ze heerschappij over de kerk ontvangen hebben, maar, juist omgekeerd, overmits het karakter van hun ambt geen andere dan een dienende en bedienende macht toelaat. Engel der Gemeente of Dienaar der Gemeente is geheel
des
Woords dan ook
niet »engelen"
hetzelfde, en deze verrassende
naam van
» engel"
Openbaring
in
1
en
2 levert alzoo geen het minste bezwaar op voor wie Hebreen 1 en 2
verstaan heeft. voorstelling alsof de engelen beelddragers
De
Gods zouden wezen,
op gelijke wijze als wij dit krachtens onze eerste schepping in Adam onze herschepping in Christus zijn, moet op grond van het bovenstaande losgelaten. De engelen zijn noch onze natuurgenooten
en
noch van
onze broederen, en dan eerst komt ons geloof ook ten opzichte de engelen weer recht te staan, indien we ophouden ons zekere
wezens-eenheid met de engelen in inzien,
die
elk
te beelden,
maar integendeel helder
hoe een mensch en een engel twee verschillende wezens zijn, Want wel heeft Jezus in tot een eigen wereld behooren.
Lukas 20 36 gezegd dat de eens gezaligden niet meer kunnen sterven, omdat »ze den engelen gelijk zijn"; maar juist dit gelijk sluit ook hier het eigen uit. Immers Jezus wijst het punt van gelijkheid, waarop hij doelt, met name aan, t. w. dat er onder menschen in den hemel geen voortteling meer bestaan zal, evenmin als die nu bij de :
eno-elen bestaat.
worden," niets
af
»Ze zullen noch trouwen noch ten huwelijk uitgegeven
Voor eenheid te
leiden.
in soort
En wat
met de engelen
is
hieruit derhalve
de bedenking aangaat, dat de engelen
toch ook kinderen Gods worden genoemd, en alzoo als kinderen Gods
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's