Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 130
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
„EEX
122
WORM
EjS'
MAN !"
GEEïf
„Zwaard, ontwaak tegen den Man, die mijn metgezel is" (13 7),;; en wiens diepst gevoelde naam daarom zijn zou „M^^' van smarien' (Jes. 53 3). Kracht, sterkte, majesteit ligt in dat Man uitgesproken. Wij allen saam, de zwakken, hulpeloozen, ellendigen, die om heul en bescherming tot hem vluchten, en hij de sterke man, die ons dekt met den arm zijner kracht en den wederpartij der van ons :
:
afweert.
Een Max, ja, dat was hij toen hij den Duivel voor zich deed ineenkrimpen in de woestijn toen hij de duizenden beheerschte met zijn woord; toen hij de ziekten gebood en dat de krankheden ;
weken
toen hij de duivelen uitwierp dat ze afdropen toen hij Parizeen sidderen deed voor zijn blik toen hij den storm bezwoer de zee voor zich bukken deed sterker nog, toen hij den dood in Lazarus' graf overmande ja, zelfs in Gethsémané nog, toen alles voor hem deinsde en hij zijn vangeren neêrwierp in het stof. Maar kan hij die Man blijven? Kan hij door als Man voor ons door te breken, er u en mij doorhelpen F Kan het door macht ten triomf, door sterltte ter zegepraal gaan, voert de arm zijner mogendheid ons ter overwinning ? En daarop nu zegt Gods heilig Woord, neen en nogmaals neen, als die man geen ivor)n wordt, kan het „wormpje Jacobs" niet worden uitgeholpen. Indien het tarwezaad niet uit den hoogen halm op de aarde wil nedervallen en in die aarde inzinken en sterven, dan raakt het de verlorenen niet, dan blijft het alleen en kan geen vrucht ter eeuwige verlossing dragen! Zie toch, wij zijn geen mannen meer! Al onze kracht is opgedroogd als een potscherf. Een menschenkind, in zonde ontvangen en geboren, ligt feitelijk in het stof, en is den wormen gelijk geworden. Naakt heeft de zonde ons uitgestroopt. Er is niets geheels meer aan ons en zelfs onze beste daden zijn nog, zooals Comrie het ;
;
de
;
;
;
;
;
zoo volkomen waar heeft uitgedrukt. God onteerend. De ééne heerlijkheid voor, de andere na, is van ons afgevallen. Een schijn is er nog maar geen wezen meer. Vermolmde binten zijn we, die doorbreken bij het aanraken. Uitgehoolde wilgen, waar de nachtuil zijn nest in bouwt, en waar de winden mee spelen. Job wist het wel toen hij uitriep: „De sterren zijn niet zuiver in zijn oogen. Hoeveel te min de mensch, die een made is en des menschen kind, die is als een worm!" (25 6). En och, wilden we dat nu maar zijn maar inzien dat we dat ;
:
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's