Het Calvinisme - pagina 142
HET CALVINISME EN DE KUNST
138
dit wettig gebruik geen tegenstander maar veeleer een pleitbezorger vond, bewijs ik u met zijn eigen woord. Als toch de Schrift ons het eerste optreden van de kunst in Jubals tente meldt, die het spel op harp en orgel uitvond, wijst Calvijn er ons
in Calvijn zelf
met nadruk op, dat hier gehandeld wordt van prcedara Spiritus d.i. van treffelijke gaven van den Heiligen Geest; betuigt God in dezen kunstzin Jubals geslacht „verrijkt had met hij, dat uitnemende talenten"; en spreekt hij het luide uit, dat deze kunstvindingen schitterende blijken waren van Goddelijke goedgunstigheid. ^) Sterker nog verklaart hij in zijn commentaar op Exodus, dat „alle
Sancti dona,
kunsten
uit
God
vloeien en te eeren zijn als Goddelijke uitvindingen.^)
Ook
deze schatten van het natuurlijk leven zijn, zoo ge Calvijn hoort, in hun oorsprong aan den Heiligen Geest dank te weten. ^) In alle artes liberales moet, zoo in de gewichtige als min gewichtige, Gods
en glorie worden verheerlijkt.*) Meer nog, de kunsten zijn ons troost bij dezen lagen stand onzes levens geschonken. Ze reageeren tegen het ingezonkene van leven en natuur.^) Toen zijn collega Cop te Genève tegen de kunst als zoodanig ging woeden,
lof
als
nam
Calvijn
schrijft,
te
zelfs
opzettelijk
„dezen onzinnigen mensch
brengen".^) Het
domme
maatregelen om, gelijk
zijne
tot
hij
zelf
gezonder zin en rede terug
vooroordeel, alsof het gebod tegen den
beeldendienst de beeldhouwkunst verbood, noemt Calvijn de moeite der wederlegging niet eens waard. ^) Van de muziek roemt hij, dat
om
ze een wondere, ongelooflijke kracht bezit,
de harten
roeren
te
Onder de ontspannen en te doen genieten, staat ze zijns inziens bovenaan. En zelfs waar de kunst lager afdaalt en enkel bedoelt den grooten hoop te vermaken, en de neigingen en zeden
schatten des levens, die
te
buigen en
God ons
te verzachten.^)
schonk,
om
ons
te
zoo weinig af, dat hij verklaart, hoe men dit soort zinvermaak niet aan het volk moest onthouden. ^) Dit samenvattende, mag men dus zeggen, dat Calvijn de kunst in al haar vertakkingen eerde als een gave Gods, nader als een gave van den Heiligen Geest; dat hij de machtige uitwerking der kunst op het gemoedsleven ten volle begreep dat hij haar bestemming zag in het verheerlijken van God die ze ons schonk, in de veredeling des levens, in het ons
snijdt
hij
ze
;
>)
Ed. Brunsvig, k 1882. T. XXIII.
Tom. 6)
9)
I.
Ed.
Tom.
p.
570Ö.
4)
Tom.
Brunsv. T. XXII. XII. p. 348.
III.
p. 356.
p. ->)
p, 99.
175Ö.
2)
s)
jom. XXV. Inst.
Tom. XXIV.
Relig. p. 377.
p. 58.
Christl. «)
Tom.
3) I.
Ed. Amt. IV.
VI.
p
§
34. 169.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 192 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 192 Pagina's