De engelen Gods - pagina 31
hut.de bij engelenvekschijning.
27
God is. Wil men nu dit Engel Uulia en de hulde aan God Latreia noemen, ons wel, mits deze Dnlia dan maar nooit de grenzen overschrijde van wat we aan oen creatuur bewijzen mogen. Ook de Engel en
aan
eerbetoon
en
is
toebrengen, omdat
Christus
zijnen
blijft
een
en do last
minJcficlip.pM'J,
hem evenmin
komt, geeft Overheid,
zulk
die
deswege een
met
zelfs
hij
waarmee
van Godswege tot ons
hij
recht op een />or«?<creatuurlijko hulde, als de
iets
Jiulde, die het
van do majesteit des Hoeren bekleed
perk van het creatuur! ijke
te
is,
buiten gaat,
van ons vergen mag. In rang staat de Orerluid zelfs boven een
Enr/i'l.
Immers de Overheid wordt in de Heilige Schrift »godeu" genoemd, omdat de souvereiniteit van Godswege in haar gelegd is, terwijl deEno-elen nimmer als souverein optreden, maar steeds als »dienende geesten."
Ook hiermede
echter
is
de zaak nog niet beslist.
Uit het aangevoerde toch volgt nog alleen, dat
Heere een Engel
En
de tot
eerbiedige nederigheid zouden te bejegenen hebnn behoeft waarlijk de lioomsche kerk ons niet voor te Of wie is er onder ons Protestanten, voor zoover we aan
der
belijdenis
huis,
God
dit
prediken.
de
wij, indien
gezant naar ons afzond, en deze zichtbaar
hem met
ons naderde.^
ben.
als zijn
vaderen vasthouden, die als
legerstede of op den
zijn
bij
hem
werkelijk in zijn
weg een Engel Gods
in zichtbare
op staanden voet met den diepsten eerbied zou vervuld worden? Die eerbied zou bij een ieder onzer zelfs alliclit
gedaante
zoo
en
maclitig
spoedig vallen,
ook
verscheen,
in
matige
geneigd zoodat
overweldigend werken,
zouden
alleen
zijn,
dat
we
evenals Johannes al
voor zulk een Engel op de knieën te
ons nadenken, en ons overwegen, dat we toch
Engel met een creatuur
den en
niet
hulde
ongeoorloofde
te
doen hadden, ons van over-
zou terughouden.
Maar. en
dit
nu
Roomsche kerk spreekt van zulk eerbetoon niet enkel voor die bijzondere gevallen als aan iemand de verschijning van een Engel mocht te beurt vallen, maar ook in het generaal, ab er fiatisr/ieb'jk r/fen EiKjel aan ons verschijnt, als we hem dus niet ontwaren,
juist is onze bedenking, de
niet
zien,
niets
van
zijn
tegenwoordigheid weten, en hoogstens uit
beweging onze aandacht op hom pogen te vestigen. Ware dit nog enkel bedoeld voor het geval, dat ons metterdaad een Engel vroetjer verschonen was. om ons dan daarna uit do herinnering hom voor te stellen, en met zekeren eerbied aan hem te denken, zoo liet ook dit zich nog hooron. Een zekeren indruk van een bepaald wezen kon zulk een verschijning uiteraard achterlaten dien indruk kon men eigen
nu
;
daarna
ook
na
Aveer zijn
opwekken
;
en op die wijs ware het denkbaar, dat
w<',
verdwijning, gedachten van eerbied naar zulk een Engel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's