Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 59
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
„IK BEZWEEK V BIJ DEJf LEVEiS'DEN GOD."
51
elkander over, en voor ons menschen geldt de heerlijkheid, dat we macht hebben de toaarheid te grijpen, maar ook de schrikkelijkheid dat onwaarheid te spreken ons modelij' k is. Toch leeft zelfs in den gevallen mensch, die innerlijk door leugen vergiftigd is, de eerbied voor het schoon der waarheid nog zoo sterk, dat „leugenaar" onder mensehen te heeten, in eiken beteren kring het hardste brandmerk is. Zelfs waar men dat meent, verzacht men bij zachtere zeden de uitdrukking nog, omdat het brandmerk zelf van leugenaar al te fel zou snerpen. Waarheidszin geldt alzoo voor teeken van adel der ziele. Kringen waarin „leugenaar" te heeten, ffeen eer meer krenken kan, daalden heneden menschelijk peil.
nu van dat eere krenkende kleeft ook aan den eed. Drang tot het afvorderen van een eed komt eerst dan aan de
Iets
orde, als het gevaar van op onwaarheid te stuiten, moet afgewend. Op de nieuwe aarde, onder de volmaakt i-echtvaardigen, laat zich
de
mogelijkheid zelfs dat er van een eed sprake zou zijn, niet meer denken. Een eed kan alleen noodzakelijk zijn onder zondaren, om der zonde wil, in kringen waar het gif der leugen insloop. De eed is tegen het gevaar dat van den leugengeest voor waarheid, onschvüd en goede trouw dreigt, middel van verweer. Vandaar het volkomen rechtmatig en natuurlijk gebriiik van den eed in de vierschaar, die in den name Gods het recht bedient, want voor Gods oog staan wij, zondaren, in onze onwaarheid.
Maar vandaar ook dat men in kringen van hooger levenstoon, elkander niet dan in het uiterste der noodzakelijkheid op een eed vraagt, of ook een eed presenteert. Dat geschiedt onder de heffe des volks, waar alle waarheid veil is. Het is de verleugende mensch, die telkens den mond vol heeft van er een eed op te willen doen en het is onder dat lage ruwe slag menschen dat men elkander telkens allerlei eeden afvergt. Eeden dan, helaas, keer op keer, niet op waarheid, maar juist op leugen en bedrog afgelegd. Zoo schept de eed den meineed, een bijna satanische verharding tegen de waarheid. En dan moet de strafrechter tusschenbeide treden, om den onverlaat, die zelfs den heiligen eed dorst verzondigen, te straffen met menschelijke straf. ;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's