Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De engelen Gods - pagina 54

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De engelen Gods - pagina 54

2 minuten leestijd

VIL

VAN DE NATUUR DER ENGELEN.

Want

waarlijk,

neemt

bij

liet

neemt de engelen

hij

niet aan,

Ilebr. 2

De

natuur

der

engelen

om

en van elke poging Avorden

men

intusschen,

dit

sterk.

De

vooral

van

:

16.

een andere dan de natuur der menschen,

is

beider natuur te vereenzelvigen,

Vooral

afgezien.

maar

zaad Abrahams aan.

in

moet

beslist

de tweede helft der vorige eeuw dreef

hier te lande, als in Duitschland, tamelijk

zoo

engel gold toen in veler oog voor den idealen mensch, en kleine

zong en jubelde men, niet dat ze als maar dat ze door hun sterven metterdaad

kinderkens

engelen in den hemel

zijn,

engelen waren geworden. Het »cherubiintje van omhoog" strekt overigens ten bewijs, hoe men op zeer vroeg gestorven kinderen deze voorstelling

nu

reeds eerder toepaste.

nog, zoo diep

in,

om

Het

zit er

engel aan te zien, het gedurig met den en

zoo

vooral,

Later

zien.

is

het

deze

reeds van

eeuwen

her, en

een schoon, jong, onschuldig wicht voor een

vroeg

naam van engel

te

benoemen,

wegstierf, er een wezenlijken engel in te

voorstelling toen uitgebreid tot volwassen per-

sonen, die óf door een zeer bijzondere liefde aan ons verbonden worden, óf uitblonken door toewijding en hemelzin.

En

toen nu eenmaal die

won, lag het voor de hand, om allengs in het wezen de bestemming onzer natuur menschelijk van ons »verengelen" Wel gaf men zich geen klare rekenschap, hoe dit toete gaan zien. eino-, maar er was, zoo achtte men, in elk mensch van nature, deels iets van een dier of duivel, en deels iets van een engel; en nu was

laatste opvatting veld

het

onze

ten

slotte

gaarne dat

roeping dat dierlijke en duivelsche uit niets

drukte

dan

men

te

schudden, tot er

»het engelachtige" in ons overbleef. dit,

Niet on-

vooral in de dagen van Feith, ook zoo u^t,

we tusscheu den »würm" en den

;>seraf'

zweefden, en dat in den

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900

Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's

De engelen Gods - pagina 54

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900

Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's