Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 39
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
„BAD TE ERNSTIGER."
81
En daarom wat soberder, wat stiller, wat heiliger en daardoor schuchterder en teederder met dat bidden voor elkander zijn, het zou aan ons gebed geen kwaad, maar eer aan uw bidden goed doen.
Doch in dat uitwendig, oppervlakkig roepen van „broeders, bidt voor mij," ligt niet de eenige zonde onzer gebeden. Veel gebedszonde ligt er ook in, dat we voor ons zelven zoo onernstig bidden. Niet alsof het gemeene gebed bij spijs en drank, bij het opstaan en slapengaan, of bij onze samenkomsten deswege verwaarloosd mocht. Wie dat waant, kent 's Heeren weg niet. Maar toch verder nog van 's Heeren weg is hij, die geen oog heeft om te weenen over de minheid van ons bidden en den lagen stand van de aanroeping des Heeren in gebeden die we saam doen. o, Hoe veel en hoe lang wordt er niet soms gepreveld zonder dat van de honderd die de handen vouwden meer dan tien ook maar even hun ziel tot God verhieven. Wat loomheid en dof heid bij dat bidden Wat verstrooiing van den geest en wat invallende storende gedachten! Dan zijn er soms duizend en meer Christenen bijeen, en ge ziet aller hoofd gebogen, en het heet dat allen bidden, maar zóó jammerlijk is onze toestand, dat het al veel is, en ge al dankt, zoo ge een enkel maal een geloofswerkzaamheid voor half den duur van zulk een gemeen gebed hebben mocht. En nu bij ons privatelijk bidden is het natuurlijk niet zoo erg. Wie in zijn eentje zijn knieën buigt is allicht opmerkzamer, er meer bij, meer in een stemming der gebeden, maar toch ook daarbij blijft onernstif/heid de zonde die ons weer telkens aankleeft. Zoo midden uit het leven plotseling voor Grod te verschijnen. !
ziel los te maken van wat om u heen is. Van een gesprek dat u boeide, van een boek dat ge laast, van een tijdingdie u zorg inboezemde, en zoo zonder overgang voor de eere van Grods naam en van zijn Koninkrijk smeekende te zijn, het is voor een kind van stof en voor een armen zondaar dan ook zulk een ontzettende spanning, en vandaar dat gedurig weer opstaan van ons bidden, dat we boos op ons eigen hart zijn op dat hart dat weer te afgetrokken was, om zielsinnig tot den Heilige te naderen.
Opeens uw
—
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's