De engelen Gods - pagina 93
89
GEESTELIJKE WEZENS.
Zóó Col.
nu
1
engelen
de
dat
16,
:
de
tot
leert de Heilige Schrift ons in
staande,
tegenstelling
de
niet
de
tot
geschapen,
dingen
die
maar
zienlijke,
dingen behooren. Er staat toch
onzieiilijke
uitsluitend
»Want door hem
:
de hemelen en die op de aarde
in
zijn
alle
zijn,
die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen,
overheden,
hetzy
hem
machten,
hetzij
geschapen,"
uitspraak
een
dingen
alle
hem
door
zijn
en tot
naar ieder toestemt, onder
waarin,
de tronen, heerschappijen enz. niet anders dan de engelen te verstaan zijn.
in
Geheel in gelijken zin worden de engelen in Hebr.
Psalm
104
naar
onzen
dus
deel
aan
de
en
5
:
wezens
onzienlijke
is
beide
zienlijke,
beide werelden,
is
maar
En
:
14 evenals
genoemd.
Geesten of
terwijl wij
menschen,
geesten
uit ziel én
noodzakelijkerwijs
aai'd,
aan
ook
dan
elders
hier geheel hetzelfde.
1
lichaam bestaan, en
werelden
hebben, zoowel aan de onzienlijke als
het eigen
kenmerk der engelen, dat
ze niet aan
alleen aan de onzienlijke wereld deel hebben, en
tegen ons menschen overstaan. Dieren, engelen en vormen alzoo deze volledige opklimmiug, dat het dier
zoodanig
als
menschen alleen
heeft
aan
de
terwijl
het
hooge
deel
onzienlijke,
hem alleen gegund is, te mogen heerschen. Het
zienlijke
in
wereld,
heide
de
alleen aan de
engel
van den mensch
privilege
werelden
te verkeeren,
is,
dat het
en in beide
verschil tusschen het wezen van den menscli
en het
wezen
wezen.
De mensch begint met een weinig minder dan de engel
zijn,
want
dingen hij
als
van den engel
is
hiermede dus tevens duidelijk aange-
pasgeboren wicht schijnt
hij
behooren, maar als de mensch
te
te
uitsluitend tot de zienlijke
zijn
wezen ontwikkelt,
ten slotte boven den engel te staan, doordien
hij
blijkt
alsdan én in de
komt te dragen, die mensch op het hoofd drukt. Deze louter geestelijke natuur, en daarmee tegelijk deze lagere rangorde van den engel, treedt in de Schrift in nog duidelijker licht, zoo ge let op wat ons gemeld wordt van de gevallen engelen. Al zijn toch de demonen gevallen engelen, ze blijven daarom niettemin de soortnatuur en het icezen van den engel behouden, en kunnen in
zienlijke
én
in
onzienlijke wereld de kroon
de
God aan den naar
zooverre
uitnemend
engelen
te
teekenachtig
het
dienst
doen,
verstaan.
leeren
waaromtrent
beeld geschapen
zijn
droef
duidelijk
ons de natuur ook der goede
En wat
verhaal
is ?
om in
de
blijkt
nu
Schrift
Maar immers vóór
de
bij
zoo alle
bezetenen,
breed
en
zoo
dingen
dit,
dat
demonen o?«lichamelijk, dat ze enkel geestelijk van aard zijn, en juist daarom in een ander wezen kunnen indringen. Het is alleen hun onzienlijke, louter geestelijke natuur, die hen in staat stelt, in een mensch in te dringen, zich van het verband tusschen de
diens
ziel
en lichaam meester te maken, en alsnu over
met name over
zijn
spraakorganen
te
zijn
lichaam,
beschikken, alsof het de hunne
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's