De engelen Gods - pagina 25
GEEN ENGELENAANBIDDING.
21
minister,
zijn mededienaren voorgaat, maar met hem op één lijn zóó ook doet de Engel aan Johannes gevoelen, dat zulk eerbevan den éénen dienstknecht des Heeren aan den anderen niet
staat,
toon
En om
tepas komt. er
dat
op,
dan
een
sprake
nog duidelijker te laten uitkomen, wijst hij meer is dan een profeet, ja niets meer
niet
kind van God, dat de profetie bewaart.
een
alle eerbetoon
van
dit
Engel
rust dus op het
feit,
Het
afsnijden van
dat er van geen hooger loezensoort
mensch saam in dienst^ en wel in den dienst en dat ze alzoo, als onderlinge mededienstknechten,
dat Engel en
is,
God
staan,
geen eere van elkander mogen aannemen.
komt nog te sterker uit, zoo men deze berisping van den Eno-el met wat Petrus en Paulus in Hand. 10 26 en in Hand. 14 v.v. verklaren. Petrus komt bij den kapitein Cornelius te
Dit
vergelijkt
14:
Caesaréa
:
binnen,
en
zóó
als
Petrus neder en aanbidt hem. op," roept
hij
hem
toe,
Cornelius
En
hem
ontwaart, valt
nu gedoogt Petrus
dit
»ik ben ook zelf een
mensch.''''
En
hij
niet.
voor »Sta
als blijkens
Hand. 14 de bevolking van Lystre, na de genezing van een kreupelen man, voor Paulus en Barnabas, in de meening dat ze goden waren, een offerande slachten wil, springt Paulus onder de schare, verschrikt zijnde, en roept uit: »Mannen, waarom doet gij deze dingen, wij zijn ook menschen van gelijke beweging als gij." Nu is het opmerkelijk, dat we hier tot twee maal toe de tegenstelling vinden tusschen wat God wat inensch
en te
De
is.
kapitein Cornelius te Caesaréa, en die
Lystre waren heidenen, en beeldden zich als heidenen
halfgoden
waren,
tegenover
die
in,
mannen
dat er ook
en vele goden, aan wie eere viel te bewijzen.
valsche
meening plaatsten
nu
èn
En
Petrus èn Paulus
beiden den uitspraak; »Kniel voor ons niet neer, want wij zijn geen
goden, maar menschen, gelijk als gij."
19:
10
tusschen
en
22:
8
niets.
Daar
is
Doch hiervan
leest
ge in Openb.
geen sprake van de tegenstelling
een god en een mensch, maar uitsluitend van de onderstelde
tegenstelling tusschen een hooger en een
^ay/^r
soort onder de schepselen,
en deswege wordt tot Johannes gezegd, dat Engelen en menschen in
den dienst des Heeren één heilige heirschaar vormen, en dat ze zaam en onderling mededienstknechten
zijn.
Het trekt dan ook de aandacht, dat leerstellig noch in de
Testaments noch
er in de schriften des NieuAven practijk, van zulk een vereering
der Engelen, als de lloonische kerk beoogt, ook maar met één woord
sprake is. Noch onze Heiland noch een van zijn discipelen, wekt ook maar met één enkele zinsnede tot zulk een vereering der Engelen op. Dit nu kan niet daaruit verklaard, dat men destijds weinig aan de
Engelen dacht. Integendeel,
juist het tijdperk
van Jezus' verschijning
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's