De engelen Gods - pagina 149
CIIERÜBIJNEN EN SERIES-
Ook deze
of Cherubijnen.
voorstelling
145
geboren uit de afbeelding in
is
den Tabernakel. Schuiven toch de Cherubijnen door hun breede slagvleugelen
tusschen
hun
God en
het Verzoendeksel
dan ontstaat
in,
de voorstelling, dat heneden de Arke met het Verzoendeksel staat, dat daarover
door
Cherubijnen hun vleugelen uitspreiden, en dat hoven die
de
vleugelen
God
de
Heere
als
is,
Cherubijnenvleugelen
de
werd
heilige tegenwoordigheid
zijn
gedragen.
Dit
natuurlijk niet
is
zó(3
Cherubijnen God behulpzaam zouden wezen, noch ook alsof Hij, de Heere, door de Cherubijnen moest gedragen en verbedoeld,
alsof
de
voerd worden. Al zulk denkbeeld toch
is
met de majesteit en de
omtegenwoordigheid Gods volstrekt onvereenigbaar. Feit
al-
blijft alleen,
dat
God
zijn
Majesteit en almacht heeft doen werken, en dat nu deze Cheru-
de Heere in Cherubijnen meer bijzonder de uitstraling van
bijnen zich voor het schepsel schuiven, zoodra en zoo dikwijls als het
door
schepsel
zijn
zondigen aard, aan de heerlijkheid Gods afbreuk
dreigt te doen.
Het
daarom verkeerd indien men de Cherubijnen uitsluitend
is
de dragers van de majesteit en van de rnaeht Gods voorstelt.
Ze
als zijn
welterdege, zelfs nu nog, ook de schutstrawanten van Gods heüufheid.
Als zoodanig betrekken ze de wacht bij den ingang van het Paradijs; overdekken ze met hun vleugelen het Verzoendeksel; en stellen zich
God
tusschen
en
bij
en
het aardrijk, zoodra de Heere, gelijk in Psalm 18
Ezechiël, tot deze zondige aarde nederdaalt. Eerst in de Open-
baringen van Johannes nemen ze hun standplaats in de hemelen als de vier Dieren,
vertegenwoordigers der gezaligde menschheid.
als
verklaren, dat na Golgotha de vloek niet
enkel symbolisch,
ure af ze
den
hun zoo
is
in
Troon des Eeuwigen,
voorstelling zij
maar
bij
werkelijkheid volbracht
als
te
daaruit te
Van
is.
die
weren, en omringen
trawanten.
zijn
*
En wat
eindelijk
bij
de offeranden in den tempel de dieren
onzondige wezens, en daarom in de plaats van den
als
zondigen niensch op het altaar gaan,
om
in
de onschuld van het dier
de onschuld van het heilig Godslam af te beelden.
van de Cherubijnen
als
Dieren
ligt
In die voorstelling
dus wel terdege ook een zinspeling
op hun afgescheidenheid van de zonde, gelijk van Gods heiligheid paste. Toch is hiermede niet de dieren
is
Ezechiël en in de Openbaringen als Dieren betreft,
opgemerkt, dat ook
voorkomen,
Dit
weggenomen, en de verzoening,
is
dus geen onheiligheid meer af
er
in,
en dat wel naast de vier en twintig Ouderlingen,
dit
bij
de trawanten
alles gezegd.
Immers
hebben in Gods schepping ook de eigenaardige beteekenis
van die creaturen, waarin de majesteit en de macht Gods meer nog dan in den mensch tot openbaring komt. Men behoeft er den leeuw slechts
op aan
belangt klein
te zien,
hij
te
om
er zich zelf
gevoelen.
En
wijl
wat majesteit en kracht aan-
nu Gods almacht
zijn heiligheid
10
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's