De engelen Gods - pagina 162
WOONSTEDE DES ENGELS.
158
uit. Het want anders kon uitkomen. het er niet zit dus alles in zijn hoofd in, Maar wie ter wereld kan zich nu ook maar eenige voorstelling vormen van de Avijze, waarop die ontzettende massa van woorden, herinne-
die
woorden, die beelden, die herinneringen, uit dat hoofd
begrippen in
en
beseffen
beelden, voorstellingen,
ringen,
hoofd
dat
opeengepakt liggen, en hoe ze hun plaats in dat hoofd verlaten, om in de taal zich voor u te uiten? Dit alles hult zich voor ons in een het ons eenvoudig voegt onze onwetendheid te be-
mysterie, waarbij
en te aanbidden die Avondere macht van den Schepper, die alzoo
lijden,
Nog
eens menschen hoofd schiep.
ge met eenige aandacht
als
raadselachtiger zelfs wordt het u,
op
let
uw
moedertaal.
Waar
als
oude Hebreen, de
van Griekenland en van oud-Rome
taal
ze
fjesproken
die taal?
is
waut ook de
wordt,
Ze bestaat niet alleen
is
taal der
er nog,
al zijn die talen de ééne voor de andere na uitgestorven. En ook als ge u een oogenblik in den nacht denkt, dat al het volk van heel Nederland te slapen ligt, zoodat er op dat oogenblik geen enkel woord
gesproken wordt, zoo
waar
is
niet
in
A
huist
volk;
of in
uw
weg, die nu en
is
uw
toch
uw
daarom niet weg; maar eilieve want al werden plotseling zou daarom niet weg zijn. Ook huist taal
in de boeken,
dan? Niet alleen
boeken verbrand,
alle
ze
ze
taal
B, want achtereenvolgens
uw
taal spreken, en toch
sterven alle personen
taal blijft.
Uw
uw
dus in het gemeenschappelijk bewustzijn van
maar
nu de plaats eens aan,
wijs gij
Dit moest op den voorgrond gesteld, moeilijk het
is
om
taal
woont
volk als
Avaar die te zoeken
te
is.
doen inzien, hoe uiterst
het vraagstuk van de plaalx tot oplossing te brengen,
we ook maar even het gewone terrein van de stoffelijke, een moeilijkheid die dan ook met waarneembare dingen verlaten name in haar toepassing op de engelenwereld drukken moet. En nu zoodra
;
is
het
wel
men
dat
zoo,
vooral
sinds
Kant gepoogd
moeilijkheid te ontgaan, door eenA^oudig te zeggen, dat
product
een
van
onze voorstelling was,
en
dat
Avij
t/t;
heeft
deze
/)/aate slechts
menschen een
nu eenmaal de dingen niet anders dan in tijd en plaats denken konden; maar dat daarom plaats en tijd nog niet wezenlijk bestaan. Edoch, met deze Avijsgeerige vondst komen Ave geen stap verder. Ook niet al poogt ge dit duidelijk te maken, door ons voor een glazen deur te plaatsen waarin ruiten van rood, blauAV, geel en groen glas zijn aangebracht, en er ons nu op soort
te
hersenen
Avijzen,
ruit
staren,
hoe
hadden
wij,
al
ontvangen,
naar
die
gelang
we door
de ééne of de andere
het voor ons liggend landschap in rooden, in blauwen,
in gelen of in
groenen
tint
goed weten, dat deze tinten
gedompeld
we
zeer
aan dat landschap eigen
zijn.
zien, niettegenstaande
feitelijk niet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's