De gemeente gratie - pagina 163
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
159
jEzus' EN rome's rechtsbedeeling.
Toen nu het menschelijk leven moest
ontwikkelen,
dit
ten
hebben,
van personen begon
dat
te
de menschelijke orde
orde in het menschelijk leven indrong; wat
teloorging,
en
zeggen
dat moest gaan heerschen het recht van den sterkste. In Kaïn
dierlijke
ge dit dan ook. Abel hindert hem, en
ziet
uit
wil,
de
zich in veelheid
gevolge
den weg. Ware
dit
hij
ruimt met één slag Abel
booze proces nu ongestoord en onbeteugeld door-
gegaan, zoo zou er onder raenschen van geen hoogere samenleving sprake zijn
De
geweest.
zijn,
om
onzichtbare, geestelijke orde zou steeds
daarvoor
in
meer verdwenen
de plaats te doen treden een puur physieke orde.
Zinnenlust en sluwheid, den sterkeren
arm
als
instrument bezigend, zou
verhouding onder menschen bepaald hebben. Een ieder zou op zwaard hebben geleefd, en de menschelijke saamleving zou na korten alle
zijn
geworden. Iets wat
we
te vaster
mogen
uitspreken,
tijd
woud
azs twee droppelen waters aan een saamleving van dieren in het gelijk
zijn
omdat er
sommige oorden een soort menschelijke saamwonderwel op leek. Als de wonen in de woestijn, onderstelt dit recht zal dat eens het
metterdaad van oudsher
in
leving bestaan heeft, en nog bestaat, die hier Schrift zegt,
dat juist in de woestijn het leven gemeenlijk rechteloos
het zwaard van den sterkere berust.
En nu nog
is,
en alleen op
men
vindt
geheele streken, waar stam gedurig tegen stam optrekt,
om
in
Afrika
elkaar met
wapengeweld ten onder te brengen, en na behaalde overwinning de weerbare mannen doodt, alle have rooft, de vrouwen schendt en de kinderen voor zich neemt. Vraagt men of dan bij zulke nomaden in de woestijn, en bij zulke negervolken in Afrika, alle gemeene gratie ter zake van het recht ontbreekt, dan moet geantwoord, dat deze gemeene gratie er wel ontbreekt tusschen stam en stam, maar niet onder de stamgenooten onderling. In eigen boezem het ben
maar
deeling,
w^at ze
ze,
hoe gebrekkig ook, wel terdege rechtsbe-
kennen
niet
is,
een op rechtsbeginselen gegronde
verhouding tusschen hun eigen stam en de stammen die hen omringen. Dat nu nochtans, niettegenstaande 's menschen zondige natuur hen
om
prikkelt,
lust te
de menschelijke orde
prijs te
geven, en in een dierlijke orde
hebben, toch zekere menschelijke orde tusschen de menschen in
het gemeen in stand bleef, en zich zelfs in toenemende mate ontwikkeld heeft,
is
Godes gemeene
gralie. Niet de
mensch heeft zichzelven van de
hem, ook voor het wereldsche leven, tegen hemzelven beschermd heeft, is God de Heere. Deze reddende daad der gemeene gratie Gods loopt ten deze nu langs twee wegen: de eene in den mensch en de andere onder menschen; de eene inwendig, de andere vernieling gered;
maar
die
uitwendig. Die inwendige
hem hem
in zijn
weg in den mensch bestond
hierm, dat
God
wilden hartstocht intoomde, behoefte aan vrede en rust in
prikkelde, en zachter gezindheden in zijn hart deed opkomen.
En de
uitwendige weg onder menschen was, dat God den mensch dwong het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's