De gemeente gratie - pagina 50
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
OPLOSSING VAN ROOMSCHE ZIJDE.
46
•
gewone ondersteuning Gods, maar een buiten het perk der zake
niet een
uitgaande, gegevene gave.
van God:
1.
natuur,
zijn
De
menscli kreeg in de schepping twee dingen
met
wat
al
genadegifte, ultra terminos naturae,
d.
i.
natuur hoorde, en
2".
een
boven het perk dier natuur
uit-
tot die
gaande, geUjk Alexander van Hales dit het eerst formuleerde.
nu tegen
En
het
die combinatie of bijeenvoeging zelve, dat ons verzet gaat.
is
Was
de menschelijke natuur op die hoogere, heiligere ontwikkeling aangelegd, welnu, dan behoorde die justitia originalis, tigheid,
ook
d.
i.
die oorspronkelijke gerech-
deze natuur in haar voltooiing en voleinding.
bij
justitia originalis, of oorspronkelijke gerechtigheid, iets
niet
was aangelegd, een haar vreemd, haar heterogeen
de schepping naar Gods beeld in
lag,
dan
blijft
En was
deze
waarop onze natuur iets, iets
dat buiten
de natuur des menschen ook
aard en soort van die hoogere genade verschillen, kan het een met het
we
ander niet organisch saamgroeien, behouden verbinding, en
blijft
het dualisme tot in
's
een louter mechanische
menschen hoogste ontwikkeling
voortduren.
Verder mogen we intusschen ons van ons onderwerp niet laten
Afdoende kan
dit
punt alleen
in
komen, waarvoor we hopen dat
afleiden.
een afzonderlijke polemiek ter sprake tijd
en gelegenheid nog eens
komen
zal.
Thans lag dit onderwerp alleen in zooverre op onzen weg, als door deze Roomsche levens- en wereldbeschouwing een eigen pad wordt ingeslagen, om hetgeen onzerzijds door de „gemeene gratie" wordt verklaard, op eigene wijze tot oplossing te brengen. aan,
dat de
Neemt men
toch eenmaal de onderscheiding
„oorspronkelijke gerechtigheid" niet tot
behoorde, maar
bij
's
menschen natuur
onze natuur bijkwam, dan volgt hieruit terstond, dat
het verhes dezer „oorspronkelijke gerechtigheid," op zichzelve beschouwd,
de natuur des menschen onaangetast
liet.
Niet alsof de Roomschen leeren
zouden, dat daarom onze natuur heden ten dage gehjk zou
zijn aan de natuur waarin Adam, afgezien nu van de oorspronkelijke gerechtigheid, geschapen werd. Integendeel, zonder nu over het woord natuur langer te
willen twisten, ook
zij
leeren wel degelijk, dat er verzwakking van die
natuur heeft plaats gehad, dat de zonde van in
ons
ging.
is,
Adam
een oorzaak van kwaad
en dat dit kwaad door erfzonde van geslacht op geslacht over-
Maar hoezeer
dit
ook beleden wordt, van een eigenlijk bederf dier
natuur, zoodat ze niets goeds meer zou kunnen voortbrengen, ook niet op
het stuk van burgerlijke gerechtigheid,
is
dan toch geen sprake.
Zalig-
makend goed nimmer, maar velerlei burgerlijk goed zeer wel. En de tegenstelling komt dus zoo te staan, dat wij zeggen Het verderf in onze natuur snijdt niet alleen alle goed af, maar maakt zelfs dat ze niets dan kwaad :
kan voortbrengen, en het
is
alleen de
temperende macht der gemeene
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's