De gemeente gratie - pagina 638
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE TWEE LEVENSSFEREN DOOREENGEMENGD.
634
met
wat
al
in dit Besluit lag, mogelijk te
en door het Besluit, maar gaat
uit
Hij
vooraf.
is in
maken. Hij ontstaat niet eerst
naar orde van
er,
de vaststelling ervan.
En
tijd
en denken, aan
Hij stelt én omtrent alle ding,
én omtrent zichzelven in dat Besluit, alle ding alzoo vast, als eisch is, om het ontstaan en den loop en den afloop aller dingen aan aller dingen
eeuwig einddoel
is
d.
i.
aan
zijn
eigen zelfverheerlijking,
met den Vader
en den Heiligen Geest, te doen beantwoorden.
En hierom
nu,
omdat het Eeuwige Woord vóór het Besluit
is,
in het
en in dat Besluit de eenheid van Schepping en Verlossing in sijn eigen Persoon maintineert, hierom is het dat het Verlossingswerk der Particuliere genade niet afgezonderd en apart naast het leven der wereld Besluit
kan
is,
staan,
als van één Besluit en van eenzelfde Ik in den den grond één zijn en blijven. Wel onderscheiden,
maar dat beide
Zone Gods uitgaande,
in
de Zoon van den Vader onderscheiden is, maar nooit gescheiden, evenmin als ge ook Vader en Zoon in Gods Drieëenig Wezen ooit scheiden moogt. Het is éénzelfde Ik, van hetwelk geschreven staat dat door hem gelijk
alle
dingen geschapen
alle
ziel
moet
zalig
zijn
en in stand
worden, zoovelen
blijven,
en elders dat door
als er ten leven
geroepen
hem En
zijn.
is het éénzelfde mensch, die in het maatschappeliik leven Gods „Gemeene gratie" en op het heilig terrein Gods „Particuliere genade" geniet. Het is eenzelfde ik dat burger van het vaderland, en dat lid van Jezus' kerk is. Het is één en dezelfde wereld, waarin God zijn Gemeene
zoo nu ook
gratie
doet schitteren, en waarin Hij
heid verheerlijkt.
zijn
Goddelijke ontferming ter
zalig-
Zoo moet dan de Gemeene gratie op de Particuliere
genade en de Particuhere genade op de Gemeene gratie inwerken. Alle scheiding moet
met
alle
kracht tegengestaan. Tijdelijk en eeuwig leven,
ons leven in de wereld en in de kerk, godsdienst en burgerleven. Kerk
en Staat en zooveel meer, mogen niet gescheiden worden. Veeleer moet, juist
omdat het
tot die scheiding niet
onderscheiden worden, en het
is
kome, steeds scherp tusschen beide
aan de juistheid dezer onderscheiding
dat het richtig verloop des levens hangt. Terstond gevoelt bij
het geschil over Art. 36.
Ge moogt Kerk en
de hberalen het eischen; ge moogt ze niet
in
dit o.
m.
eenheid oplossen, gelijk de
dweper. Beide moeten dooreengevlochten bestaan. En in
men
Staat niet scheiden gelijk
juist
daarom moet
beider eigen natuur en roeping de aanwijzing gezocht van het juiste
onderscheid dat én elke sfeer afzonderlijk én beider onderlinge verhouding bepaalt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's