De gemeente gratie - pagina 192
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE GEMEENE GRATIE IN HET GENADELEVEN.
188
soortig onderzoek instellen ten opzichte
van den Christen en diens
brenging ten eeuwigen leven. Ook op dit punt gratie in de
eeuw der Hervorming
toe-
de belijdenis der gemeene
is
gekomen, wel niemand betwist noch ontkent, maar die toch dusver in de dogmatiek zich niet de hun toekoniet tot volledige uiteenzetting
en ook hier zal alzoo op feiten te wijzen
mende
plaats zagen ingeruimd;
zijn,
die
en dat niettegenstaande ze voor de
kennis en de zelfbeschaming van het kind van
God
zelf-
uiterst belangrijk zijn.
kwamen de
In de stichtelijke letterkunde, soms ook in het dicht,
zielsbe-
vindingen ten deze tot uiting; maar noch in den Catechismus, noch in de
handboeken voor
leerstellige Godgeleerdheid,
toelichtingen en predikatiën
noch ook
in
de Catechistische
werd genoegzaam met de gemeene
de toebrenging ten eeumgen leven gerekend. In afzonderlijke
kwam
gratie
bij
leerstellige
maar zonder toch de zaak die het gold tot een zelfstandig afgerond geheel te vormen. Calvijn was er in voorgegaan, om wel de gemeene gratie als feit te belijden, en in de grondtrekken van het gebouw haar plaats aan te wijzen, maar zonder haar studiën
er een en ander aan het woord,
verder uit te werken; en de „isstis de Calvin" hebben ook ten deze
zijn
voorbeeld gevolgd. Dat thans de nieuw ontwaakte Gereformeerde Theologie
deze schade poogt in te halen, bedoelt intusschen in het minst niet een botvieren aan de zucht,
om
„de vaderen" op de vingers te tikken; of
om
overdreven schoonheidsgevoel een onevenredigheid in den gevel van
uit
kwaad het lukt, bij te werken; maar geboden door de droeve ervaring, die kerk en theologie ten gevolge
het leerstelhg gebouw, zoo goed zoo is
van deze leemte hebben opgedaan.
Vergunne men ons
dit laatste vooraf
met een kort woord nader toe
te
lichten.
De „gemeene men, want
dit
gratie" raakt de verhouding van
komt ten
slotte
natuur en genade,
of wil
op hetzelfde neer, de verhouding tusschen
kerk en wereld, tusschen de Godgeleerdheid en de wereldsche wetenschap, tusschen onzen ouden en onzen nieuwen tnensch, of ook, als
mogen uitdrukken, tusschen ons Er
is
een oud en er
is
ik,
het zoo
ik en Christus, en ons ik en onsselven.
een nieuw leven, waarvan de tegenstelling nooit
sterker aan het licht trad dan toen Paulus schreef:
dat doe niet
we
maar de zonde
„Wat
die in mij woont."
ik (zondigs) doe,
Dat tweeërlei
dat zoo schoon in onze Geloofsbelijdenis, Art. 35, geteekend werd,
is
leven,
scherp
was nieuw uitkomt, verband met het na-
onderscheiden, en nochtans verwant. Iets waarvan het gevolg steeds
en nog
is,
dat de ééne maal het geestelijk leven zóó sterk als
dat het al den indruk maakt, alsof het buiten alle tuurlijke
stond, en door principieel
een tweede zelfstandig
dus
als
om
zich zoo uit te spreken
in
iets
was
nieuwe schepping ontstaan ware, en
naast het natuurlijke
zelfs zóó sterk,
liep.
De
behoefte
dat de heihge apostelen
het minst niet aarzelen van een „nieuwen mensch", van een „maaksel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's