De gemeente gratie - pagina 353
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET GEWONE EN BUITENGEWONE. meeting
te loopen,
op te treden, overluid te bidden,
349
te zingen, te prediken,
biedt een leven vol van dat pikante en afwisselende, waar het jeugdig
gemoed
in
geniet.
En ook waar
die jacht op het extraordinaire niet dien
krassen vorm aanneemt, merkt ge toch in
alle
Methodistische actie steeds
van datzelfde. Voor het gewone leven oor noch oog, maar liefst in de geestelijke spanning, in de sfeer van geestelijke opwinding, in alles wat een specifiek geestelijk merk draagt. Ook de blauwe knoop vindt kracht iets
in
die zelfde zielsneiging.
vorm zeldzamer zelfde
is,
zielsneiging
van een
En waar onder ons Gereformeerden
zeg veilig
te
die actieve
zeldzaam, woelt toch ook onder ons de-
weer op andere
wijze,
meest
in
het willen vertoonen
geestelijke gestalte, in een veel en lang bidden, in een gelaat en
houding, die iets ongemeens uitdrukken, en in wat onze vaderen
noemden
een kunstmatige „precisiteit", die ten slotte verloopt in een wettisch redekavelen over regel op regel en gebod op gebod, eerst in toepassing op zichzelven, maar dan ook als maatstaf om zich tot het beoordeeleu van anderer doen en laten op te maken.
Nu moet men hiermee lijke
van
dit
voorzichtig
zijn.
Menigeen toch het on-Schriftuurdit hunkeren naar het
verwaarloozen van het gewone en
buitengewone inziende, slaat zoo over, en legt er zich op toe,
om
al
licht
wat
in
het tegenovergestelde uiterste
specifiek geestelijk is uit te bannen.
Zoo vindt ge onder ons mannen en vrouwen, met wie ge nooit een geesgesprek kunt hebben, die zich stelselmatig aan al het geestelijke
telijk
onttrekken, uit wier oog nooit een hoogere bezieling spreekt, en die achten
dan eerst waarlijk Gereformeerd
te
zijn,
als
Israëlietischen hartstocht de laatste korrel van
met iets van den oudden Methodistischen zuur-
ze
deesem uit hun hart en hun woning hebben uitgezuiverd, tot er ten slotte niets dan het gewone, wereldsche leven, zooals ook de lieden der wereld dit kennen, overblijft. Dit zijn de vijanden van eiken réveil, die op hun best even onverstandig handelen als diegenen, die een leven met niet anders dan réveil zoeken. Réveil is een gewekt worden uit de sluimering. Zooals er ook in het leven neiging tot slaap en sluimering over de geesten
komt,
zal steeds
de réveil noodig blijven, en als een gave Gods dankbaar
moeten aanvaard worden, om ons weer wakker te schudden, ons de oogen weer helder te doen openslaan, en ons als wakende en nuchterlijk door het leven te doen gaan. Daarom is het dwaas niet anders dan den réveil te willen. Dat men u 's morgens als ge slaapt, wekt is heerlijk, ook al luidt ons de bel wat hard. Maar als men u, nadat ge terdege wakker zijt geworden, en opvloogt en aan uw werk zijt, maar steeds die bel in de ooren liet luiden, zou het u ergeren en u bij uw arbeid belemmeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's