De gemeente gratie - pagina 390
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
VOORZIENIGHEID EN SCHEPPING.
386
De natuurkunde
was, aan het bestaande zou worden toegevoegd.
heeft op
haar gebied op deze waarheid steeds meer nadruk gelegd, en het voegt ons Christenen dankbaar hierin de bevestiging te waardeeren van iets wat rechtstreeks volgt uit onze Christelijke belijdenis. Alles hangt hier toch
aan de vraag,
of
het werk Gods volkomen
wachtende geweest op
onvolkomen. Dit echter weerspreekt de Heilige leert
dat
al
het werk Gods volkomen
dat het goed was. Bovendien
werk Gods nog ons vooreerst
en die ten tweede met nadruk
is,
zijn
werk aanzag, en sag
het met organisch begrip der Schepping
om
ten eenemale in tegenspraak,
Een
is
het scheppingswerk dit
Schrift, die
geschapen was,
getuigt, dat God, toen alle ding
Is
is.
dan was
aanvulling,
latere
kwam. De Schepping als
zich in te beelden, dat er iets bij
en
geheel bestaat uit zijn deelen,
uit al zijn deelen.
geheel bestond dus uit al haar deelen. Doch dan
is
er in dit geheel ook
geen plaats voor het aanbrengen van nieuwe deelen, want elke plek en plaats is ingenomen en bezet. En dientengevolge kan er ook niets af, want zou
er iets afdoen,
zijn,
geheel op. Er
is
wegnemen, en welk orgaan ge
er een deel uit
ook uit een organisme wegneemt,
dit
heft altoos de gaafheid van het
daarom geen bijschepping, naschepping of tAveede schepbij verstoring is en niets denkbaar dan herschepping,
ping denkbaar, en
juist deswege mag die herschepping nooit gedacht als het inbrengen van een nieuw element, maar alleen als een weer recht zetten van de elementen die bestonden en scheeftrokken.
en
Hiertegen voere
men nu
aan, dat toch plant en dier vergaan, en
niet
dat er evenzoo telkens nieuwe planten en dieren geboren worden. Duidelijk
wiet
toch leert het Scheppingsverhaal, dat
hun
God
planten en dieren schiep
zaad, en wat beteekent deze uitdrukking met
dan dat de bestaanskiemen van schepping gegeven waren ? Dat is
al
wat
hun zaad
anders,
later zou uitkomen, reeds in
juist het
de
wonder van de Schepping, dat
de Schepping niet enkel zekere exemplaren in het leven roept, maar in die enkele exemplaren de kiem en de potensen legt van al wat daarna uit zal
komen. En wel
aanvulling van
stof.
is
een stofwisseling, maar een stofwisseling
Al wat
bestaaf uit twee bestanddeelen
we :
uit
het organisme, en uit de
organisme doet uitkomen. Dat organisme lag
kwam
uit het zaad,
is
geen
thans in plant en dier voor ons zien,
in
stof, die dit
de kiem, en die kiem
en dat zaad schiep God van den aanbeginne. En wat
die stof aangaat, waaruit nu plant, bloem en dier bestaat, dat is dezelfde stof, die eens in heel een reeks van vroegere planten en bloemen zat, of
door vroegere dieren was opgenomen, of in elk geval in de Schepping zelve gegeven was.
den mensch, dat geven we .toe, is een element, dat nadere verklaring zou vereischen, om de belijdenis, dat de ziel des menschen, en dus van elk meusch, door God geschapen wordt, tot meer recht te doen Alleen
bij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's