De gemeente gratie - pagina 475
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
;
TEGEN DEN VLOEK. niet dooden. zult,
gij
strijden;
Gij
zult
471
u niet door nood en honger laten vernietigen. Gij
moet leven; om
leven zult en moet
te
gij
dood en honger be-
daartoe zal Ik u de middelen doen ontdekken; en
en
zult
gij
moet u inspannen, inspannen tot het zweet u langs het lichaam afdrupt en in dat zweet uws aanschijns zult
We
ontkennen daarom
een nawerking van de straf het baren,
maar
zoo ook zou
uit die
Adam
wel
gij
brood eten, en leven.
dat er in dat leven door inspanning ook
niet,
Maar evenals de vrouw wel
lag.
onder den noesten arbeid, maar
lijden
beurt uit dien harden arbeid het leven te gewinnen voor
kinderen en zichzelven.
lijden
zou in
inspanning het leven van haar kind zou gewinnen,
Men
stelle
zijn
het dus niet valsch voor.
om
op
zijn
vrouw,
zijn
De
eigenlijke
was en bleef de dood. Als gij van den boom eet, zult ge den dood Eu in wat daarna kwam, werkte wel die vloek van den dood na, maar het brood eten in het zweet zijns aanschijns was op zichzelf geen vloek, het was genade, hem het middel aanwijzend, om den vloek te straf
sterven.
bestrijden.
1.
XII.
Bestraffen, schelden, toornen.
En
staande
boven haar, bestrafte
koorts verliet haar
en
;
zij,
de koorts, en de
Lukas 4
henlieden.
Zoo bleek dan
hij
van stonden aan opstaande, diende
uit het paradijsverhaal,
:
39.
hoe God de Heere, wel verre van
het gebruik van middelen af te keuren, integendeel zelf den mensch het
gebruik van middelen voorgedaan, geleerd en geboden heeft. bleek, hoe
God den mensch
strekt niet alleen voor
wat
tot het gebruik uit
's
En
evenzoo
van middelen verplichtte,
menschen natuur
voortvloeide,
vol-
maar wel
terdege ook voor wat gevolg van de zonde was, en alzoo tegen de gevolgen
van den
vloek.
De koude waartegen de
dierenvacht, en de honger w^aar-
tegen het zweet des aanschijns moest ingaan, waren niet uit de schepping,
maar uit de „de ellende'', die de Doch hierbij kunnen w^e niet
val over
den mensch bracht.
God
blijven staan. Is het toch alzoo, dat
de ellende als straf over den mensch brengt, en leert God nochtans den mensch tegen die ellende den strijd aan te binden, en haar met allerlei middelen in te perken, dan rijst de natuurlijke vraag, of dan God niet
zelf
zichzelven bestrijdt. Hij straf die
in
is
het,
onder wiens oordeel we staan. Zijns
is
den vloek over ons kwam. Indien nu desniettemin God
de
zelf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's