De gemeente gratie - pagina 296
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET ENTEN VAN DEN WILDEN BOOM.
292
geboren lijden,
zondigt niet". Wij, die gedurig schuld en zonde voor
is,
zouden dus, met
komen, dan
óf,
dat
dit w^oord
w^ij
God
be-
voor ons, tot geen andere slotsom kunnen
geen kinderen Gods waren, overmits
we nog
de proef bezweek. Belijdt ge daarentegen deze drie
:
1
".
ge-
was en op
durig zondigen, óf wel, dat dit woord van den apostel onwaar
dat het aposto-
woord waarachtig is, 2". dat gij een kind van God zijt, en 3". dat ge nog dagelijks in velerlei overtreding valt, dan volgt hieruit, dat dit woord van den apostel moet verstaan worden, niet van uw saamgesteld leven, gelijk het deels nog oud, deels nieuw is, maar dat het gezegd is van het nieuwe leven alleen, in zijn tegenstelling met het oude leven. Er blijkt dan uit, dat hier tweeërlei plant dooreengestrengeld opwast, en dat er wel aan de saanigestelde plant allerlei booze vruchten te zien zijn, maar dat ge, onderzoekende, uit wat wortel de laatste zijn opgekomen, d. i. aan wat stengels die booze vruchten groeien, steeds bevindt, dat deze takken of stengels nog uit den ouden wortel zijn, en dat er uit den wortel des nieuwen levens niet één enkele tak of stengel opschoot, waaraan ook maar één enkele vooze of booze vrucht uitkwam. Alleen nu de persoon die uit dat nieuwe leven leeft, is uit God geboren, en alzoo kan naar waarheid betvu'gd, dat wie uit God geboren is, niet zondigt, en niet kan zondigen, omdat het zaad Gods in hem blijft. Maar hoe doorzichtig dit ook op zich zelf wezen moge, toch mag het nooit leiden tot de leer van twee personen in den éénen mensch. Er is
lisch
God geen bijeenvoegmg van twee
het kind van
in
oude mensch, in wien een nieuwe mensch te
is
ingeschoven,
wonen, zoodat de oude mensch de gastheer
gast,
want steeds
leert de
Heihge Schrift
geboren wordt, en dat het ik of der
ikken.
is,
Het
om
is bij
niet de
hem
in
en de nieuwe mensch de
ons, dat de
persoon
zelf
weder-
Die leer der twee personen,
zelf zich bekeert.
twee ikken: één ik van den ouden mensch uit Adam, en een ander nieuwen mensch uit den Heiligen Geest, heeft dan ook nooit
ik van den
anders dan bederf over Gods kerk gebracht. Het is in deze leuze dat de Antinomianen steeds hun sterkte zochten. De oude mensch, dat oude ik, die
Adam mag
oude
hij wil.
Dat
hier niets
mede
schreven. Hij
anders
is
te
dan de gastheer, en de inwonende
maken. Die gastheer
Wat
het „nieuwe ik,"
hij
van
zijn
Op
alle
man
heeft
toch ter verdoemenis opge-
zondigt deert niet. bij
dien boozen
gastheer aan te trekken. Zijn rekening staat schoon
God, en met de vuile rekening van
te laten.
is
heilige
Ook kan hij niet mensch in het kind van God, en dat kind van God heeft zich in
toch verloren.
dan zondigen. Maar intusschen woont
niets de zonde bij
dan vloeken en razen, stelen en echtbreken, zooveel
alles doet
zijn
gastheer heeft
hij
zich niet in
manier moet die valsche voorstelling, alsof er twee ikken
waren, die op zulk een manier, geheel onafhankelijk van elkaar, de één zijn
zondig, en de ander zijn heilig leven voortzetten,
worden tegengestaau
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's