De gemeente gratie - pagina 376
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
TRANSCENDENTIE EN IMMANENTIE.
372
wat gebeuren zal" nog wel zin heeft wat God hem toont in zijn Raad, maar een volstrekt ijdele en zinlooze gedachte is, zoodra ge buiten Gods Raad rekent, want dat er buiten dien Raad in de toekomst eenvoudig niets, niets onder wat vorin of naam ook is of bestaat, en dat waar niets is, niemand, en ook God niet, wat er niet is, kan waarnemen. Diep hebben we er ons voorts bijvoegende, dat „vooruit zien
voor een profeet, omdat
ziet
van te doordringen, dat heel dat nevendenkbeeld van vooruit een
alzoo
zaak
hij
en er
zien,
uit dien
die wijs er op het
worden
losgelaten, en dat zelfs als
ook daarin niet
is
God
schikt
zelven
zijn,
om
in voorzien, hier ten
we
is
gezet,
van nooden,
te bereiden,
en dat
eenenmale moet
teruggaan op het Raadsbesluit Gods,
een vooruit zien
nooden de verzorging voor door
hoofde vooruit maatregelen voor nemen, en op
gegeven oogenblik
alle
om
voor die komende
maar dat omgekeerd,
het einddoel
middelen eveneens door
dat einddoel gewisselijk te doen bereiken.
Hem
De naam
zienigheid" staat hier dus werkelijk aan het juist begrip in den weg,
nu desniettemin
die
naam van
,,
is
niets
houding en regeering
-
Verheeld
schelijke
mag
valt,
hem
door een beteren
naam
wat men uit dien naam zou waarschuwen. Wat wij Voorzienig-
meer noodig, tegen
willen afleiden, zoo ernstig mogelijk te
heid noemen
maar
Voorzienigheid" eenmaal zoo volstrekten
ingang vond, dat er niet aan te denken te vervangen, is het te
be-
„Voor-
al
dan uitvoering van het Besluit door de instandaller dingen.
intusschen niet, dat het voor ons gevoel, naar onze men-
opvatting gerekend, gedurig anders
komt
te
staan,
en dat er
rijks en vertroostends in ligt, om die van een Vaderhjk ons verzeilende zorge vast te houden. In onze betrekking met God heeft alles twee zijden, en kan alle ding op tweeërlei wijze worden voorgesteld: eerst zooals het van Gods zijde zich
voor dit ons menschelijk besef iets
voorstelling als
voordoet, en daarna hoe het zich voordoet in ons menschelijk bewustzijn.
De Heihge
Schrift zelve herinnert ons aan die dubbele voorstelling, als ze
gewaagt van een Goddelijk berouw. Dan toch betuigt ze ons de ééne maal, dat „het den Heere berouwde van zijn knechten" maar forsch betuigt ze ;
hier tegen iets
in
een ander maal, dat „de Heere geen mensch
is,
zou berouwen". Tegenspraak, zegt nu de onoordeelkundige
dat
Hem
vitter,
en
de vijand der Heilige Schrift maakt van zulke tegenstellingen gebruik, om den onnadenkenden aarzelaar en twijfelaar van het geloof aan de Heilige Schrift af te leiden. Toch is niets natuurlijker en eenvoudiger dan het voor-
komen
in éénzelfde Schriftuur
van
die tweeërlei schijnbaar zoo tegenstrijdige
Ook hier toch kan men dezelfde zaak van twee zijden bezien: van de zijde Gods en van de zijde des menschen. Stelt men zich nu, het zij met eerbied gezegd, op het standpunt van God, dan is zijn Raad onver-
uitspraak.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's