De gemeente gratie - pagina 401
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
397
MIDDELLIJKE WERKING.
melen gemaakt zijn, en door den Geest zijns monds al hun heir." Er mag dan ook bij de Schepping noch aan emanatie, noch aan evolutie worden gedacht. Scheppen is juist het door een machtwoord, zonder tusschenkomend middel, tot aanzijn roepen van wat er eerst niet was. Niet in volstrekten zin een „schepping uit niets", want uit niets kan nooit iets
komen, en
zooverre
in
is
dat „uit niets" een valsch zeggen, dat dan ook
De Schepping komt niet uit niets, maar uit de almacht Gods. Maar bedoeld wordt met die „schepping uit niets" dan ook alleen, dat het was een voortbrengen van het bestaande niet uit iets dat reeds bestond, maar eeniglijk uit de almacht Gods, en zoo leert ook de apostel het in Hebr. 11. Een schepping „door het Woord Gods",
nergens
de Schrift voorkomt.
in
on niet uit iets dat aanzijn had. Er
hebben we
te
is
alzoo geen twijfel of in de Schepping
doen met een volstrekt onmiddellijke werking van Gods
almachtigheid.
Even ontwijfelbaar intusschen
is
het,
dat er naast deze onmiddellijke
werkingen Gods andere middellijke werkingen bestaan, d. w. z. zoodanige werkingen, waarbij God zich voor zijn doel bedient van reeds bestaande dingen; en het
Gods
regel
is juist
deze wijze van werken^ die in het Voorzienig bestel
Immers Voorzienigheid
is.
is in
de eerste plaats „instandhouding",
en instandhouding onderstelt het bestaande. Hiermee er in de zijn.
is
niet beweerd, dat
Voorzienigheid Gods ook geen onmiddellijke werkingen zouden
Integendeel kunnen de grondkrachten van al wat bestaat nooit anders
dan onmiddellijk op de almachtigheid Gods rusten. Deze grondkrachten als we ons zoo mogen uitdrukken, de fundamenten, waarop heel het
zijn,
gebouw van het heelal rust, en het spreekt wel vanzelf, dat deze fundamenten zelve niet anders rusten kunnen dan onmiddellijk op de almacht Gods. Ook moet toegestemd, dat er in alle organische leven een innerlijk drijvende kracht
op de levenskiem werkt, die niet anders dan de on-
middellijke w^erking van bij
Gods almachtigheid kan
zijn.
Telkens
onderzoek ten slotte altoos op een mysterie, dat
alle
speuren van oorzaak en gevolg schenkt,
afsnijdt,
alle
stuit
men
verder na-
en ons telkens weer de overtuiging
bodem van alle dingen een kracht Gods moet zijn. En wat vooral
dat er ten slotte op den diepsten
kracht werkt, die de onmiddellijke niet vergeten
mag worden,
als
we van
de zichtbare dingen overgaan tot
de onzichtbare, en het innerlijk leven van den geestelijken mensch in zijn genie en talent, in zijn liefde, in zijn wedergeboorte en heihging bespieden,
dan
is
het de stellige leer der Heilige Schrift, dat
we ook
hier staan voor
onmiddellijke werkingen Gods, in het zielsleven, ten slotte opgevoerd tot
de inwoning
in
ons van
God den
Heiligen Geest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's