De gemeente gratie - pagina 189
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE VOLHEID DER TIJDEN.
185
genis tweeërlei gegeven was. Eenerzijds de Zone Gods, die onze mensche-
natuur zou aannemen, en anderzijds die menschelijke natuur, die door
lijke
hem aangenomen
zou worden. Overmits nu de Zone Gods onveranderlijk
en eeuwig zichzelven
gelijk blijvende
is,
kon niet
hij
zich toebereiden
op
en schikken naar onze menschehjke natuur, maar moest^, zou er aaneensluiting zijn, die menschelijke
passen
en het
;
is
nu
natuur zich door voorbereiding aan
werk der voorbereiding, dat God
dit
hem
aan-
zelf in het verloop
der gemeene gratie gewrocht en in de volheid der tijden voleind heeft.
Het is hetzelfde onderscheid als dat ge bij den korenbouw waarneemt. Ook daarbij toch is tweeërlei. Er is een zaadkorrel, die uit den bodem en uit de lucht stoffen in zich zal aannemen, om straks stengel, halm en are doen uitkomen; en anderzijds
te
is
er een
bodem, een akker, een stuk
grond, dat moet worden toebereid, opdat de zaadkorrel er dat uit
kunne.
De landman
gereed te maken, door dien
om
te
nemen
Vooreerst den bodem
heeft dus tweeërlei te doen.
ploegen, dien vet te maken, dien te
om
ontblooten in zijn voren; en dan ten tweede
in dien
gereed gemaakten
en week gemaakten en ontblooten bodem het zaadkoren te laten vallen.
En
zoo nu heeft ook
God de Heere
tweeërlei gedaan. Hij heeft vooreerst
den bodem van ons menschehjk leven omgeploegd en vet gemaakt en bloot gelegd, en alzoo voorbereid en toebereid. En toen dit werk was afgeloopen, en die voorbereiding voleind was, toen heeft Hij in de „volheid der in dien gereed gemaakten, week gemaakten, en bloot gelegden bodem van ons menschelijk leven, zijn eeniggeboren Zoon doen nederdalen. Het eerste nu: Het gereed maken van den bodem, geschiedde voor heel de wereld door de gemeene gratie, en in Israëls bodem door de particuliere genade en het zenden van den Zoon tot de wereld was een daad van
tijden"
;
Goddelijke ontferming die zich geheel in de particuliere genade saaratrekt.
Is
dit
nu
doorzichtig,
dan
zal hieruit
kunnen
blijken,
hoe
juist
de leer
der gemeene gratie hier het Pelagianisme afsnijdt, en het werk Gods tot zijn
eere doet komen.
van de voorbereiding
Hetgeen toch het vroom gemoed
in het verleden hinderde
indruk ontstond, alsof er dan toch
men;
dan toch wij menschen
alsof
iets uit iets uit
was
juist,
bij
het indenken
dat hierdoor de
den niensch ware voortgeko-
onszelven aan de Vleeschwor-
ding hadden toegebracht, en alsof de Christus, het
zij
met eerbied gezegd,
het resultaat was van tweeërlei werking: eenerzijds van de daad Gods die ons zijn
Zoon zond, maar ook anderzijds van ons menschen,
onze menschelijke natuur, in wel toebereide gestalte, aanboden. natuurlijk
ware de zahgheid
schen saam.
Weer dus
Juist dit echter
niet
uit
God
alleen,
maar
uit
hem En dan
die
God en men-
het Pelagianisme.
wordt nu,
in
de Gereformeerde
belijdenis,
door de leer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's