De gemeente gratie - pagina 317
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
TWEEËRLEI WIL, hiervan gebruik maakten, dit
zich
verscliijnsel
niet
om
weer van Christus
ze
alleen
313
bij
En
af te leiden.
dat
enkele onontwikkelden voordeed, dat
ge klaarlijk aan Petrus, die zich zelfs derwijs te Antiochië misging,
ziet
hem
dat Paulus
openlijk
En nog
bestraffen moest.
sterker teekent zich
dit verschijnsel af vóór Golgotha, als ge die jongeren
van Jezus, die toch
herboren waren, Jezus gedurig vermoeien hoort met hun Joodsche vragen,
en met hun nog ongezuiverd bewustzijnsleven. Duidelijk merkt ge dan twee ikhen. Het herboren ik, dat betuigt: „Wij hebben geloofd dat gij zijt de Christus, de Zone Gods", en daarnaast het nog onherboren ik, dat „Heere, dat zal u geenszins geschieden", zoo zelfs dat Jezus zeggen
zegt:
moest: „Satan, ga achter mij". Er keering kan het ik op
allerlei
is
alzoo geen twijfel, of ook na de be-
punten nog
waarin het geloofsbeginsel nog niet
is
uit
het oude bewustzijn spreken,
doorgedrongen.
Dit leidt tot een derde onderscheiding, wat het bewustzijn aangaat,
van hooge en ingezonken toestanden.
die der afwisseling altijd
eender. Eenerzijds zullen
ning, waarin al het
min
we
We
t.
w.
zijn niet
oogenblikken kennen van hooge span-
heilige terugwijkt,
en de lichtstraal van het geloof
telkens uit ons herboren hart opschiet, en heel ons leven en heel onze
omgeving
Na een gang aan
overstraalt.
het heihg Avondmaal, na een bezoek
aan een heerlijk sterfbed, na een machtige geestelijke worstehng, dan vervult ons zidk zijn
een klaarheid, en zien
we
alles bij
hooger hcht. Maar ook
er andere toestanden in ons leven. Tijden van verduistering, dat de
lichtstraal
om
van het geloof een rookende vlaswiek
ons saamtrekken.
Dan
is
geworden en nevelen
we alles donker, somber, En ook dit verschil nu
in den ouden schemer van ons zondig bestaan. rekent mede. Door dat verschil toch zullen we de ééne maal den strengeren eisch van ons geloof duidelijk inzien en in juiste beschouwing staan, maar de andere maal dat beter hcht derven, en zoodoende in gelijkvloersche, baatzuchtige
zich
zien
beschouwingen blijven hangen, die voor ons geloofsbeginsel niet bestaan kunnen. Dat hgt dan niet daaraan, dat we het zoo willen op den wil
—
komen we zoo anders
zien,
straks terug
—
maar daaraan dat we het zóó en
overmits op zulk een oogenblik de nevelen te dik
dat de lichtstraal van het geloof er zou kunnen doorbreken.
zijn,
Ook
niet
dan
in -ver-
band hiermede nu zal zich tweeërlei ik in den éénen niensch openbaren. zal Gods Woord opslaan, en het zijn gezin voorlezen, en daarna in het gebed gaan, en in dat gebed naar waarheid zeggen: „Ik weet, Heere,
Hij
dat zal
bij hij
U
van het Hcht", en straks onder de menigte gegaan, over kantoorzaken, over een kranke, over een zijner vrienden op de bron
is
een wijze spreken, die toont dat
van het
licht
zoekt,
hij
maar het opvangt
het hcht nu allerminst uit
de wereld. Zelfs
bij
bij
de Bron
stervende
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's