De gemeente gratie - pagina 292
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET ENTEN VAN DEN WILDEN BOOM.
288
XXXVIII. Het enten van den wilden boom.
Zoo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw het onde is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw ,
schepsel
;
geworden.
2
CoK. 5
:
17.
Reeds op grond van de korte opmerkingen, die voorafgingen, zal ons worden toegestemd, dat ook in het werk der heiligmaking
gereedelijk
met de gemeene
om
ook op
gratie te rekenen valt. Intusschen is het uiterst moeilijk, punt het onderscheid tusschen de werking der zaligmakende
dit
genade en der gemeene gratie nader toe
te lichten. Niet alsof het bestaan
van dat onderscheid twijfelachtig ware, maar omdat we de woorden en uitdrukkingen missen, om de verhoudingen en werkingen van het innerlijk zielsleven scherp uiteen te houden. We behelpen ons dan wel met overdrachtelijke taal, en vergelijken de ziel bij een plant, gelijk ook Jezus sprak van een kwaden boom die geen goede vrucht kan voortbrengen, of zichzelven vergeleek bij een wijnstok en ons bij ranken, of de werking van het Woord op de ziel duidehjk maakte door het beeld van den zaaier, en hiermede vorderen we reeds een goed eind weegs. Maar toch het blijft beeldspraak, en het drukt de eigenlijke, de geestelijke hoedanigheid van hetgeen in de
Hieraan
is
ziel
plaats grijpt, noch op zuivere noch op
echter niet te ontkomen.
Wie de
volkomen wijze wording
taal in haar
uit.
na-
speurt, bevindt, dat ten slotte elke uitdrukking voor iets onzienlijks in ons
bestaan of in onze levensuiting altoos ontleend
voor oogen iets
is.
gewone uitdrukkingen
Zelfs
tegenwerpen, enz.
vatten,
iets
zijn alle
is
aan hetgeen tastbaar en
als iets vatten, iets begrijpen,
herkomstig van het met handen
uitdrukkingen, omdat er een handeling in spreekt, zich dan nog delijk omlijnen laten, wordt het reeds veel moeihjker, als
komen,
als ziel,
gemoed,
iets aan-
naar een ander werpen. Maar terwijl die soort
grijpen, iets
sin, enz.,
of helder voorstellen ons in
vrij dui-
we op woorden
en laat ten slotte elk duidelijk begrijpen
den steek, zoo we
te
doen krijgen met „inner-
van binnen", met de „saamvoegselen" waarop Paulus doelt, en tal van gehjksoortige uitdrukkingen. Vandaar dan ook dat de verwarring zoo hopeloos pleegt te worden, als er sprake komt van
lijken
wasdom," met
„strijd
„den ouden mensch", en dat
„hij
doet hetgeen
de zonde die in zijn
hem
hij
„den nieuwen mensch", of als Paulus betuigt, niet wil,
maar dat dan ook
zelf niet doet,
maar
woont." Zelfs kundige, schrandere denkers, die gewoon
scherp hun woord te kiezen, blijken zich dan telkens te vergissen;
en wat moet het dan niet worden, als gewone lieden, die meer op beseöen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's