De gemeente gratie - pagina 461
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET GEBRUIK VAN mIdDELEN. zonde en
457
Verdelg zonde, van alle krankheid. Toen kwam de vraag in mijn ziel op: hoe doe ik zonde? Ik tracht, bij alle gelegenheden tegenover alle raenschen recht te handelen. Ik denk niet, dat ik zulk een groot zondaar ben. Ik heb geen bijzonder slechte gewoonten. Ik word niet dronken, ben geen zuiper ot een godslasteraar. Ik ben voorzeker beter dan de meeste raenschen. Ik tracht den gulden regel te volgen. Waarom moest ik dan al deze jaren van ellende doorleven? Roester ik den minsten wrok tegen iemand? Ik zou daar geen neen op kunnen zeggen. Voed ik eenig wraakgevoel, belust naar den dag waarop ik voldoening zal krijgen van iemand die mij schijnbaar beleedigd heeft? Ik kon met volkomen waarheid daar geen neen op zeggen. Benijd ik iemand? Ja! Heb ik alle menschen lief? Een volmondig neen. Is het mijn wil harddragendheid zoo ver van mij aftestooten als ik het leven zoek? Voorzeker niet. Tracht ik vrees,
en ik zou
sterfelijk geloof de moeielijkheid wortelde.
zijn
vrij
mijn begeerten en hartstochten te beheerschen? Zij beheerschen mij menigvuldiger dan ik hen. Heb ik een ander levensdoel behalve: „eten, drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven wij?" Zie, wanneer wij
omwegen
zonder
klatergoud
dat
tot
ons
op den sterfelijk
bodem der zaak gaan, wanneer leven
versiert
afschudden,
dan
wij het is
dat
ongeveer de levensweg van de meeste menschen, mij zelf niet uitgesloten. Zoo ging ik dan voort mij zelf te onderzoeken, totdat ik niet half
goed mensch was als ik wel gedacht had, en dat ik Gods Wet dag van mijn leven ongehoorzaam was. Ik had nog niet verder gezien dan het natuurlijke. Wie ben ik? Wat ben ik? Ben ik als zoo'n
eiken
mensch sterfelijk of onsterfelijk? Ik moet het een of het ander zijn? Ik weet dat beide tegelijk niet waar kan wezen. Wat was het werkelijke? Het eindige, stof, lichaam, wat een begin heeft en einde zal hebben, of het oneindige, de idee Gods, die nooit een begin en nimmer een einde heeft? Indien het stof-lichaam zonder sterfelijke zinnen niet kan denken, spreken, bewegen, of pijn ondervinden, dan moeten het
—
—
de sterfelijke zinnen
alleen
zijn, en niet het lichaam die zonde, dood veroorzaken. Stof kan het niet zijn, want stof is niets zonder de sterfelijke zinnen. Derhalve moeten het de sterfelijke
ziekte,
en
pijn
anders gezegd, de vleeschelijke geest die zonde veroorzaakt. zonde? Dwaling, kwaad, het tegenovergestelde van waarheid of goed. Verdelg zonde voor het sterfelijk bewustzijn, en de waarheid
zinnen
Wat
zijn,
is
heeft geen tegenstelling. Alles zal dan ziekte, pijn of te verklaren
dood meer
en gadeteslaan,
sterfelgkheid heeft;
dat Hij
is;
Hem;
is
buiten
waar
zijn,
en er zal geen zonde,
Hoe kunnen wg zonde verdelgen? Door dat God alleen werkelijk is; dat God geen
zijn.
dat Hij almachtig, alomtegenwoordig en alwetend
Alles in Alles en dat er niets werkelyk kan zijn buiten Zijn
idee
en
Zijn
eeuwige waarheden. Al het andere
is
zinsbedrog.
Maar verstaan
hoor u dezelfde vraag stellen die ik deed. Wat moet men onder het niet-werkelijke? Is bet op hetzelfde oogenblik dat
ik
iemand blijkbaar kwelling uitstaat voor hem mogelijk dat
hij
geen
pijn
heeft, dat pijn niet-werkelijk
is,
te
verklaren,
dat pijn een leugen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's