In Jezus ontslapen - pagina 162
-BEKLEED MET REIN EN BLINKEND FIJN LIJNWAAD
146
ing-aande, al wat zoude is of waaraan zonde kleeft., in deze wereld achterlaten om van nu voortaan voor alle zonde ongenaakbaar, liuu zaligeu ingang te volbrengen in het Vaderhuis. Maar hier nu juist ligt het mysterie. Hoe gaat dit uitschudden van de zonde toe V Op wat wijs is dat „ afsterven van de zonde " te verklaren? Wat plaats grijpt, is een doorsnijden van den baud van de vezelen die ons hart in zondegemeenschap hielden maar hoe is dat doorsnijden van dien band en van die vezelen ,
,
,
te verstaan y
Er wordt meest over heen geloopen. Met de
coiistateering
van
acht men genoeg te hebben gedaan. En tot voor korten tijd scheen dat ook zoo. ISTiemand onder ons twijfelde er aan, of tot op den jongsten snik zat de ziel nog door die vezelen aan de zonde vast: en ook twijfelde niemand er aan. of in den hemel was elke band aan de zoude ondenkbaar. Dus moest de afsterving van de zonde wel in ictu mortis, d. i. in het eigen oogenblik van het sterven liggen. Doch ook op dit punt drong van ethische zijde twijfel iu. Men begon te gewagen van een prediking ter bekeering ook na den dood. Zelfs gingen er stemmen op, om het gebruik der sacramenten ook na den dood te vernieuwen. Zoo nam men dus aan, dat de zonde ook door den dood met ous ging. Iets waartegenover de perfectionist dan weer stelde, dat meu aan de zonde reeds afstierf, of althans afsterven kon, lang voor zijn afroepiug naar boven. Zoo kwam de .afsterving der zonde" bij den jongsten suik iu het gedrang van twee zijden. Eu de vraag, wat dat .afsterven der zonde" in het sterven eigenlijk is. drong zich juist daardoor met te meer klem aan ons op.
het
feit
Het meest voor de hand liggend, meest gereede, meest gegeven antwoord op die vraag zoekt die afsterving van de zonde in het scheiden van het lichaam. En te ontkennen valt niet, dat Paulus' uitroep: „Wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?" dat korte en eenvoudige antwoord schijnt te begunstigen. Den zetel der zonde zoekt zulk zeggen dan iu het vleesch; en daar nu de dood de ziel vau het vleesch afscheidt, en het eens zoo sterk tot zonde prikkelend lichaam iu het machteloos lijk omzet, schijnt het dan vanzelf verklaard, dat de afgescheiden ziel. die immers enkel geest is, voor altoos aan de zoude is afgestorven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's