In Jezus ontslapen - pagina 162
150
XXXVI.
„Ën
aljoo jullen
mf
altijb
met ben §eere
tt)ejen'\
Want
indien Avij gelooven dat Jezus gestoren opgestaan, alzoo zal ook God degenen weder brengen die ontslapen zijn in Jezus 1 Thess. 4 14. met hem.
ven
is
,
:
Wat
het denken aan het vaderland daarboven telkens is de stellige zekerheid, dat Jezus ook aan de overzij van het graf, en tot den einde toe, ja, tot in alle eeuwigheid, zulk een geheel eenige beteekenis behouden zal voor wie der zaligheid deelachtig zijn geworden. Op zichzelf zou het ons natuurlijker zijn voorgekomen, indien Jezus wel het werk der verzoening op aarde volbracht had, en daarna nog door zijn wederkomst het Rijk der Heerlijkheid inleidde, maar dat van die ure af dan ook, het werk der wederoprichting nu voltooid zijnde, Jezus een zoo centrale beteekenis voor ons hart verloor. 24 28, op zich-zelf gelezen, den Zelfs geeft 1 Cor. indruk alsof aldus ook de strekking der openbaring was. Als we daar toch lezen dat Christus als het einde er zal wezen, het „Koninkrijk aan God en den Vader zal overgeven, om alsdan zelf Gode onderworpen te worden, opdat God zij alles en in allen", heeft het dan niet al den schijn, alsof de Christus dan als Middelaar verdwijnt, om geen ander dan een rechtstreeksch verband met God zelf als de overvloeiende bron onzer zaligheid over te laten. Hij ^als Middelaar zou dan een Verlossingswerk in twee groote stukken volbracht hebben. Eerst het Verlossingswerk op aarde, door zijn eerste komst tot Bethlehem. Daarna de oprichting van het Koninkrijk, door zijn tweede komst op de wolken. Maar dan zou de Middelaarstaak ook volbracht, de scheiding tusschen God en mensch geheel te niet gedaan zijn, en alzoo de oorspronkelijke toestand als in het Paradijs (nog verhoogd in heiligheid) terugkeeren; een toestand, waarin de gemeenschap van den mensch met zijn God nog ongestoord was, en waarbij zich geen tusschenkomst van een Middelaar, van een Verlosser, van een Heiland liet denken. En toch blijkt dit niet aldus te zullen zijn. Op Pathmos zag Johannes het nieuwe Jeruzalem uit den hemel nederdalen. Dat was het Rijk der heerlijkheid. En toch, ook van dat nieuwe Jeruzalem in zijn voleinding zegt hij „DeHeere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam, en dat nieuwe
weer
bij
treft,
XV
—
:
,
,
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's