In Jezus ontslapen - pagina 194
»NU KEN IK TEN DEELe'
178
nooit meer worden wat men niet is, en wat men eeuwigheid. Alzoo één groote verandering, niet na het sterven, maar in het sterven zelf: de genadedaad Gods, die uit het tijdelijke in het eeuwige overzet. Dan wordt de netel die zich hier nog om het hart van Gods kind strengelde, en die zoo vaak pijn deed, er door Gods genade voor altoos afgerukt, en de ziel is enkel heilig. Dan ontluiken op eenmaal de nog gesloten bloemknoppen, die in deze koude lucht zich niet ontsluiten konden, en ze geuren eeuwiglijk voor God. En zoo ook dan wordt op eenmaal de zielsblik van het doffe beeld in den spiegel afgekeerd, en toegekeerd naar het wezen zelf van Gods heiligheden. Zong niet reeds de Psalmist het van ouds: „Ik zal uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met uw beeld als ik zal opwakenf"
Meu kan dan men in
is blijft
.
alle
,
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's