De gemeente gratie - pagina 60
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
GEREFORMEERD UITGANGSPUNT.
56 een
tot
en
stil
den anderen meer
huiselijk, die
tot
een bewogen avontuurlijk
leven neigt, hoe de natuur den éénen meer naar het zinlijke overhelt, die des anderen lichter naar hoogmoed dringt; en dat zoo ook de natuur des
éénen
hem
prikkelt tot rusteloos handelen, terwijl die des anderen
hebben
lust doet
hem
nu zijn overhellende neigingen, maar die omgekeerd ons ik pogen
in schuilende traagheid. Dit
die niet ons ik zoo schikt en zijn doet,
beheerschen.
te
Op
gelijke wijze
nu
ook
er
is
de gemeene menschelijke natuur, zoodra
in
de actie haar loop begonnen heeft,
een overhelling. In den staat der
heerlijkheid zal dit een neiging, een overhelling, een zekere en vaste over-
God
buiging naar schitteren.
Nu
de andere
zijde,
heid,
was deze
tegenover
zijn
zijn.
Onze natuur
daarentegen
van God
af.
Bij
maar
zijn ik zou,
zijner
Niet
vrij.
de neiging naar
eeuwigen levens verzekerd
zijn
ik stond
door een principiëele wilsdaad, eens
natuur bepalen.
Had
zijn ik
zijn
de krachten
natuur terstond de
God hebben ontvangen, en hiermede des
zijn
eerste principiëele daad tegen
Adams
natuur bepaalde de
zijn
wezen toen naar God gericht, dan zou
overhelling,
en door
in onveranderlijke heiligheid
overhelling natuurlijk nog niet aanwezig.
richting van zijn ik,
zijn
dan
van onze natuur geheel naar de schepping, d. i. in den staat der recht-
natuur oorspronkelijk
en voor altoos de richting
van
zal
die overhelling
is
geweest.
God
Nu
daarentegen
zijn
ik in die
koos, gaf hij hierdoor aan zijn natuur,
natuur aan de menschelijke natuur in het gemeen, de helling
naar den tegenovergestelden kant, en die overhelling onzer natuur naar
kwade
het
om
is
hierdoor zóó beslist, dat ons ik niet meer de macht bezit,
die naar het booze overhellende natuur
weer recht
te buigen.
Doch hiertegen in werkt nu tweeërlei genade. Ten eerste „de gemeene genade", die maakt dat de ten kwade overhellende natuur niet geheel en al naar het booze doorslaat en het ik des menschen er als in bedelft. En ten tweede de „particuliere genade", die door bovennatuurlijke genade een tegenovergestelde overhelling teweegbrengt, en voorts in
in
de natuur van den wedergeborene
„het lichaam van Christus" deze gewijzigde,
deze herschapene natuur tot een gemeenschappelijke maakt onder Christus als
ons Hoofd. Doch onderwijl
één.
Het
is
en
blijft
blijft
altoos het ééne
God geschapen werd;
zooals het in
onze gemeene natuur
verdorven
het wezen des menschen als zoodanig
wezen des menschen,
Adam
viel; zooals
was; zooals het
in
zooals het door
het na den val in dat verderf onzer
natuur door de gemeene gratie gerugsteund werd; zooals het in Gods kind herschapen wordt in Goddelijke natuur; en zooals het in den staat der heerlijkheid eens in een volmaakt heerlijke natuur zal schitteren met onverliesbare kroon.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's